woensdag 29 december 2010

Sylvie

Het was weer oudejaarsavond. In elke huiskamer kwamen ze weer naar boven: oude, taterende, mompelende en kwetterende mensjes: de Sylvia’s. Ze bleven de hele avond en vulden elk hoekje met herinneringen: weet je nog toen...? Die avond in mei...? Weet je dit nog...? Niemand ontsnapte aan hun eindeloos gefluister en toch was je je niet bewust van hun aanwezigheid.

Pas als de wijzers van de klok middernacht aangeven, verdwijnen ze. Overstelpt door het aftellen van de feestvierders of het gekus en gejoel en het declameren van goede voornemens. Mensen zijn klaar voor een nieuw begin en laten het jaar met zijn herinneringen achter zich. Het jaar is voorbij. De Sylvia’s komen en gaan. Zo gaat het al eeuwen en eeuwen. Maar dit jaar was het anders...

Bij hun vertrek uit het verleden krijgen alle Sylvia’s een bundeltje mee: reispas (heen en terug), het adres en een kort overzicht van de belangrijkste herinneringen. Vader Tijd heeft het goed geregeld en leidt zijn personeel goed op. Die ochtend belde zijn klerk echter af. Hij nam tijdskrediet. Er moest halsoverkop een vervanger gevonden worden. Natuurlijk raad je het al: iemand die geen ervaring heeft in dit soort werk, laat al eens steken vallen. En dat is precies wat er nu ook gebeurde. Sylvain had een bundel gegeven aan Sylvie, een klein meisje dat nog veel te jong was voor dit werk.

Sylvie was trots. Nu mocht zij, net als haar mama en oma, uit het verleden stappen. Niemand lette op haar, zelfs niet toen ze huilde omdat haar bundeltje gegrepen werd door een koude windvlaag en in de duisternis verdween. Onderweg bedacht ze haar plan: ze zou ongeveer op de juiste plaats uitstappen. Dan moest ze alleen maar op zoek gaan naar de mevrouw die ze geworden was. Een vrouw met donkere krullen en een moedervlekje op haar wang, dicht bij haar oor.

De tijdmachine stopte en de Sylvia’s stapten uit. Iedereen zwermde een andere richting uit. ‘Tot volgend jaar’, zeiden ze stilletjes. Sylvie was nu helemaal alleen. De klok op de kerktoren leunde bedreigend over haar schouder: ‘Haast je, haast je’, tikte ze, je’ hebt nog 17 minuten...’

Een dronken man liep haar omver. ‘Wat heb jij voor een belachelijk jurkje aan!’ lalde hij. Sylvie bekeek haar nieuwe jurk. Het was een jurk zoals alle vrouwen in het verleden droegen. Ze begreep niet wat de man bedoelde. ‘Kan je me niet helpen?’ vroeg ze. ‘Ik zoek de vrouw die ik geworden ben.’ De man keek haar aan, schudde zijn hoofd en vervolgde zigzaggend zijn weg. Sylvie keek hem na met tranen in de ogen. ‘Haast je, haast je, je hebt nog 11 minuten’, zei de kerkklok.

Sylvie besloot dat ze aan elk huis zou aanbellen, in de hoop dat ze zichzelf zou tegenkomen. Bij het eerste huis deed niemand open. Het tweede huis was bewoond door een oude, eenzame man die haar niet kon verder helpen. In het derde huis waren ze zo luidruchtig dat ze de bel niet eens hoorden. Zo ging het maar voort. Hier en daar zag ze in een woonkamer een Sylvia zitten. Het maakte haar boos. Het moest haar ook lukken! Bij het volgende huis greep ze al haar moed bijeen en glipte ze meteen binnen toen er werd opengedaan.

‘Waar ben ik? Ben ik hier?’ gilde ze. Iedereen stond recht, niet wetend wat ze met dit vreemde meisje moesten doen. Sylvie keek paniekerig rond. Hoe zou ze eruit zien nu? Op de salontafel lag een prachtig damesuurwerk. Sylvie, een kind van de tijd, werd er naar toe gezogen. Ze grabbelde naar het uurwerk en vluchtte in paniek de woonkamer uit.

Dat was er voor Annet teveel aan. Voor het oog van haar gasten werd door dat mormel een brutale diefstal gepleegd. Dat uurwerk had ze van haar verloofde gekregen. Het was van haar! Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. Deze morgen moest ze vaststellen dat ze niet in haar feestkleedje paste. Tot overmaat van ramp had de kapper haar kapsel helemaal om zeep geholpen. Dit kon er niet meer bij!

Annet veerde recht, duwde iedereen opzij en zette de achtervolging in. Sylvie was ondertussen al op straat aan haar tijdrit begonnen. ‘Haast je, haast je, nog 2 minuten’, hoorde ze.

Net voor Sylvie de hoek om ging, struikelde ze over de zatte man. Even zweefde ze in het niets en toen kwam ze met een droge plof in de sneeuw terecht. In haar hand klemde ze het uurwerk alsof het haar enige houvast was. Nog voor ze kon recht krabbelen greep Annet haar hardhandig bij de kraag. Al haar opgekropte woede van die dag kwam er uit. Sylvie moest boeten voor haar kilo’s die erbij gekomen waren, voor haar feestkleed dat niet meer paste, voor haar kapsel dat mislukt was, voor haar verloofde aan wie ze had moeten zeggen wat hij voor haar moest kopen, voor.... ach, voor alles!

Sylvie was doodsbang. Ze trilde op haar benen. Tranen stroomden over haar wangen toen ze haar hand spreidde en het uurwerk aanbood. Ze keek Annet recht in de ogen. De klok in de kerktoren begon aan de eerste slag van middernacht. Annet keek terug. De tijd stond op dat moment stil. Alles werd stil rondom hen. Een blik van herkenbaarheid. De blik in hun ogen. De donkere krullen die bij hen dat moedervlekje bedekten... Annet was helemaal in de war. Ze liet Sylvie los, schudde haar hoofd en probeerde vlug te tellen hoeveel glazen champagne ze gedronken had.

De achtste klokslag weergalmde in de straat. Sylvie lachte. Ze had zichzelf gevonden! Haar lichaam gloeide van geluk. In haar ogen schitterden duizenden lichtjes. Het bracht Annet helemaal van de kaart. Ze streek Sylvie’s lokken naar achter en zag net dezelfde moedervlek. Annet kneep haar ogen dicht en schudde verward haar hoofd. De twaalfde slag weerklonk, amper hoorbaar door het gejoel van mensen die op straat kwamen en het vuurwerk dat afgeschoten werd.

‘Gaat het?’ vroeg haar verloofde. Hij hielp Annet overeind. Sylvie was weg, verdwenen met klokslag twaalf. ‘Gelukkig Nieuwjaar’, zei hij en kuste haar. Annet keek om zich heen. Een zatte man verderop zong een onverstaanbaar liedje. Voor haar voeten lag haar uurwerk. Het tikte niet meer. ‘Gelukkig Nieuwjaar’, zei ze...


woensdag 22 december 2010

Vroeger was het beter...

Wat een klap was dat! Het huis trilde nog na. Ze hoorde de balken kraken. Met veel moeite trok ze zichzelf uit de zetel. Die tweede fles champagne was er wat teveel aan en dat ene glaasje bessenjenever was er misschien wat over maar je moest toch een beetje gezelschap hebben met Kerstmis?

Toen ze de trap opging hoorde ze een langgerekt 'meeeeuuuuuuuh'. Hm, is dat niet het geluid van een koe? Oké, ze had teveel gedronken, maar hier twijfelde ze toch niet aan... Zij geloofde haar ogen niet toen zij bovenkwam. Er lag echt een koe! Die keek haar nogal schaapachtig aan en zei iets in de aard van 'meuuuuuuh'. Ze wist er geen antwoord op.

Vlug donderde ze de trap af. Uit gewoonte goot ze de laatste slok champagne naar binnen en probeerde koortsachtig na te denken. Ze kreeg de kans niet want haar denkwerk werd verstoord door de bel. Met de lege fles in haar handen deed ze open. Het was de kerstman. Dat werd haar nu toch een beetje teveel: een koe en een kerstman.
Voor ze het wist was hij binnengekomen. Hij was duidelijk slechtgezind en mompelde in zijn baard. Hij plofte pardoes in haar zetel en snoepte van haar zoute nootjes.

'Die koeien, dat was toch geen goed idee.' zei hij. 'Maar ik had geen andere keuze. Toen ik mijn rendieren ging halen, stuitte ik op de vakbondsafgevaardigde van de rendierenbond. Mijn dieren staakten, volgens hem. Ze hadden te weinig loon en hun werkuren waren niet voldoende gespreid, volgens hem. Het werd ook tijd voor extralegale voordelen, volgens hem. En of ik kon meegaan in hun eisen en wou onderhandelen. En ze vroegen ook een dertiende maand, volgens hem. Maar ik had geen tijd. Ik kan toch geen dag later met de cadeautjes rondkomen?' Hij keek haar vragend aan. Ze schudde, met haar mond open, instemmend neen en hoorde boven een verdachte lading op de vloer ploffen. 'Dus nam ik maar de koeien van de buurman' ging hij verder. 'Maar die hebben geen ervaring met zo een slee. Hier boven jouw huis liep het mis. Ik moest een scherpe bocht maken en die hoofdkoe ging uit de bocht. Ze was in paniek en geraakte los uit het span en patatboem, door uw dak!'

Ondertussen had hij haar fles bessenjenever in zijn gehandschoende worstenvingers en had hij haar champagneglas gebruikt om te drinken. Het ging vlotjes binnen. Het tweede glas werd al gevuld. Hij krabde zich misnoegd in zijn baard. 'Bij de vorige bezoeker was het betere jenever', zei hij.

Ze staarde naar het plafond, alsof ze erdoor kon kijken, in de hoop dat die koe zich daar wat kon gedragen. Het draaide in haar hoofd, maar ze had geen idee of het van de champagne was of van wat er zich in haar huis afspeelde. De hele fles jenever was ondertussen soldaat en de kerstman waggelde naar de voordeur. Met één vingerknip in de richting van haar bovenverdieping (van haar huis, niet van haar hoofd) zorgde hij ervoor dat de koe naast hem stond. Hij nam zijn ceintuur, deed die rond haar nek en ging op pad. Zonder zelfs maar dag te zeggen. 
Hij was de straat nog niet uit of daar stopte een politiewagen. De koe stopte gehoorzaam bij hun kordate bevel en hield de kerstman recht. De agenten keken heel bedenkelijk. De jeneverlucht was opvallend aanwezig. Ze ging wat dichterbij, benieuwd naar hoe dit ging aflopen. Het toestel voor de alcoholcontrole werd bovengehaald, maar daar had de kerstman geen oren naar. Hij lalde maar door over stakende rendieren en vakbondsafgevaardigden en koeien die geen vliegervaring hadden en uit de bocht gingen en interims die geen kwaliteit te bieden hadden... Daar stonden de agenten dan: een zatte man die zich uitgaf voor de kerstman en een koe die alleen maar 'meeeeeuuuuuuh' zei. Het liep vervolgens helemaal uit de hand. De agenten wisten er niets beter op te vinden dan iemand van de psychiatrische afdeling te laten komen. Die bolle buik van de kerstman zat in de weg om hem in een dwangbuis te steken, maar uiteindelijk ging hij toch mee. Ze nam de koe dan maar mee en zette ze in haar tuin.

'Ha, Nicolaas!', zei de kerstman toen hij eindelijk in de recreatieruimte mocht komen. 'Wat doet gij hier? Hebben ze u ook te pakken genomen?'
'Dat kan je wel zeggen', zuchtte Nicolaas. Hij krabde in zijn baard, verveeld met de situatie. 'Ik weet nog altijd niet waarom ze mij opgepakt hebben. Zoals elk jaar nam ik gewoon een kind op schoot en zei: 'wat ben je toch een lief kind'. Toen gaf ik dat jongetje een dikke knuffel en voor ik het wist werd ik van mijn troon gesleurd, vlogen de moeilijke woorden me rond de oren en nu zit ik hier. En jij? Wat doe jij hier?'

'Ach, zei de kerstman. Dat is een lang verhaal...'


Fijne feesten allemaal!

woensdag 15 december 2010

Pareltjes (deel 4)

gevarentaal 
wonderzoek 
weefvliegtuig 
zonsopvang 
peerwerpen  
schreeuwwitje 
pestkastje 
dochters van wacht 
zwaardbeving 
dierenlefhebber 
gemeenteluis 
ik stel mezelf ter beschrikking 
stuurbeklachtiging 
wegversnauwing 
kluisspin 
het mereldeel 
stringkasteel 
pitloze duiven 
frietsuiker 
torteldruiven 

Wil je nog pareltjes? 

woensdag 8 december 2010

Witte stilte



Ze kwamen stil. Geruisloos tijdens de nacht. Eerst was er eentje. Al vlug volgden er een paar. Binnen enkele minuten waren het er honderden, duizenden. Ontelbaar.

De stilte overheerste. Niemand die hen opmerkte. De wereld hulde zich in onwetendheid. Mensen woelden in hun slaap, niet wetende welke invasie er plaatsgreep. Het was indrukwekkend hoe ze met honderdduizenden stilzwijgend te werk gingen. Na een tijdje klitten ze samen, versmolten ze zich en werden ze één.


Een ogenschijnlijk zachtaardig pact, met een verraderlijk ondertoontje...




vrijdag 3 december 2010

Lieve Sinterklaas

De eerste week van december stromen de brieven voor Sinterklaas weer binnen. Vaak zijn de omslagen zelfs niet leesbaar en de inhoud van de brieven komt toch wel altijd op hetzelfde neer. Jean had er een beetje genoeg van. Het werk op zich was al redelijk saai en dan bleken de brieven van de kinderen ook nog saai te zijn: ik wil dit, ik wil dat, ik ben heel braaf en blablabla. Jean baalde. Nog een paar maanden en hij mocht met pensioen.
Die ene brief viel op. De omslag was niet versierd, maar het handschrift was duidelijk dat van een kind. Vooruit dan maar, even een kijkje nemen of deze briefschrijver ook veel snoep en een Nintendo op zijn verlanglijstje heeft staan.
Vreemd: geen versieringen, geen tekeningen, gewoon een korte tekst. Even lezen, mompelt Jean.
Lieve Sinterklaas,
Ik ben Jordi en ben 8 jaar. Mijn mama en papa zijn gescheiden. Dat is niet zo erg want mijn papa was altijd heel boos op mama. Zeker toen oma hier kwam wonen. Nu is papa weg. Ik heb hem nooit meer gezien. Nu is mama boos, want ze zegt dat hij voor mij moet betalen en dat niet doet. Oma is er ziek van geworden. Ik doe heel hard mijn best om voor oma te zorgen, maar dat is niet gemakkelijk want ik vind dat ze stinkt. Ik moet mama ook veel helpen want mijn zusje zit in haar buik. Nu kan mama mij niet meer naar school brengen, want papa heeft de auto meegenomen en mama kan geen nieuwe betalen. Ik ben al groot genoeg om met de fiets te gaan, maar ik heb geen fiets. Van papa zal ik hem niet krijgen. Daarom vraag ik aan u een fiets. Ik heb er een gezien die heel goed is. Hij kost € 150. Wil je me die geven, Sinterklaas? Ik zal dan geen vies gezicht meer trekken als ik oma moet helpen om wat rechter te zitten in haar bed. Voor mama zal ik de afwas af en toe eens echt doen in plaats van hem te laten uitlekken door Flappie.
Groetjes,
Jordi’
Jean zag meteen zijn kindertijd in een flits passeren. Hoe zijn vader zijn moeder sloeg, tot die smeekte om te stoppen. Hoe zijn grootvader de scepter zwaaide vanuit zijn ziekenbed, hoe... ach, Jean kreeg een krop in de keel. Jordi, met zijn onopvallende brief, had het gepresteerd om Jean te beroeren. Nog geen vijf minuten later liep Jean rond in het kantoor met de brief. Hij las hem voor en voerde een vurig pleidooi voor dit jongetje. Veel van zijn collega’s waren ook mama of papa of grootouder en rond deze tijd van het jaar gaat het strijken over het hart wat gemakkelijker. De volgende dag had Jean € 133 ingezameld voor Jordi. Hij maakte er een mooi pakketje van en verstuurde het geld naar het adres dat Jordi zo nauwgezet genoteerd had. Precies op 6 december zou hij het ontvangen. Jean ging tevreden naar huis. In gedachten ziet hij hoe het jongetje tranen van geluk huilt omdat hij zijn fiets kan kopen. Jean was vandaag een heel klein beetje heilig...
Een paar dagen na 6 december sorteert Jean nog een late brief voor de Sint. Hij herkent het handschrift. Zijn hart maakt een sprongetje. Fier loopt hij naar de collega’s. Hij voelt een warme gloed op zijn wangen. ‘Jongens, dat kadeeke heeft teruggeschreven! Die gaat tevreden geweest zijn. Goh, ik vind dat tof dat hij schrijft om ons te bedanken!’ Jean opent de omslag en op algemene aanvraag leest hij de brief luidop voor:
Lieve Sinterklaas,
Heel hard bedankt voor het geld voor mijn nieuwe fiets! Je had me ook gewoon een fiets mogen geven, dat was misschien beter geweest. Ik heb het geld meegenomen naar de fietsenwinkel en daar samen met de baas geteld. Weet je wat? Ik kwam € 17 tekort. Ik kan mijn fiets nu nog niet kopen. Het was heel lief van u om mij dat geld te geven en jij kunt er ook niets aan doen. Ik ben er echt zeker van dat je me € 150 hebt gestuurd, maar die rotzakken van de post zullen er wel een deel van gestolen hebben.
Groetjes,
Jordi’
Jean werd er stil van. Het was alsof hij die hand van zijn vader voelde. Hard en ongenadig. Over enkele maanden mocht hij op pensioen. Eindelijk.


Nog een Sinterklaasverhaal? Lees 'Dromen zijn bedrog' (klik)

woensdag 1 december 2010

16 kg suiker en 37 borstelstelen

Stipt om 8u00 zat ik aan mijn bureau. Mijn eerste werkdag als secretaresse van de wijkschool was begonnen. Ze hadden me al gewaarschuwd dat er best wel veel werk zou zijn. ‘Laat maar komen’, dacht ik. Ik was er helemaal klaar voor. Een paar weken geleden had ik mijn cursus boekhouding tot een goed einde gebracht. Het leek me het beste dat ik daarmee zou beginnen. De boekhouding dus.

De directrice begroette me met een geforceerde, zenuwachtige glimlach. Ze deed haar best om vriendelijk te zijn. Juf Elly, een vriendin van me, zei me dat de directrice geen secretaresse wou. Ze wou het allemaal zelf doen. Alleen. Maar het werk stapelde zich maar op en het schoolbestuur greep in. Er kwam dus een secretaresse: ik. Mijn bureau was een puinhoop. Alles lag door elkaar. Hier en daar vond ik wel een logica in de stapeltjes. Zo kon ik niet werken, dus daar maar eerst eens orde in scheppen!

Nog geen uur ging voorbij of de telefoon ging. Ik schraapte mijn keel en wou opnemen met het zinnetje dat ik gisterenavond stilletjes geoefend had. Nog voor mijn hand de hoorn vasthad, had zij al opgenomen. Verbaasd keek ik haar aan. Was dat vanaf nu niet mijn taak? Ze draaide zich om, boog wat voorover en mompelde wat in de telefoon. ‘Straks’, zei ze. ‘Straks’. Ik ging verder met mijn werk.

‘Tot straks’, zei ze. ‘Ik moet wat aankopen doen voor de school. Over een uurtje ben ik terug.’ Ze keek me niet eens aan, griste haar jas van de stoel en ijlde de gang door. Ik knikte in het niets. ‘Tot straks’, zei ik dan maar tegen haar lege bureaustoel. Toen zag ik het mapje liggen. Het lag onder haar bureau. Ik stond recht en raapte het op. ‘AANKOPEN SCHOOL’ stond er op.

Het mapje trok mijn aandacht. Ik had in de vele stapels heel wat facturen gevonden die ik daarin zou kunnen klasseren. Nu wist ik meteen waar ik mee kon beginnen. Maar ik wist toen nog niet waar het zou eindigen...

Na inventarisatie kwam ik in één schoolweek op volgende aankopen, steeds in dezelfde winkel: 16 kg suikerklontjes en 37 borstelstelen. Blijkbaar ging ze vaak naar de winkel. Ze kocht dan een kilogram suiker of een borstelsteel. Maar waarom dan een paar uur later opnieuw? Wat doen ze in een school met zoveel suiker of borstelstelen? Ik begreep er niets van. Hoe kon ik dat verantwoorden in mijn boekhouding?

Ik ging op onderzoek uit. In de leraarskamer stond een kast waarin de suiker bewaard werd. Er stond maar één pak. In de bergruimte stond wat poetsgerief, maar ook hier niets speciaals. Waar zou ik nog kunnen kijken? De kelder! Ik nam de sleutel uit haar lade en ging de kelder in. Het stof en de spinnenwebben maakten plaats voor mijn verbazing. Het rek tegen de muur was van boven tot onder gevuld met suiker. Netjes gestapeld. Het leek alsof ik in de opslagruimte van een suikerfabriek terechtgekomen was. Tegen de muur stonden honderden borstelstelen recht. Eenzame, verstilde soldaten met rechte rug. Klaar om gefusilleerd te worden. Ik schudde mijn hoofd om de spinnenwebben en de verbazing te verjagen maar dat lukte niet.


Vier straten verder, in een auto, aan het eind van de parking van het warenhuis...

‘Lieveling, ik kan je zo niet langer meer ontmoeten. Ik heb nu een secretaresse. Het zal teveel opvallen. Trouwens, ze gaan de parking hier aan het warenhuis heraanleggen. De beplanting gaat verdwijnen. Het is te riskant.’ – ‘Ach, kom, neem me nog eens goed vast. Maak je geen zorgen. Koop straks nog wat suiker of een borstelsteel. Maar eerst wil ik een kus!’



woensdag 24 november 2010

Anders en Beter

Aandacht! Aandacht! De trein met bestemming 'Anders en Beter' heeft een vertraging van minstens tien minuten.

Passagiers met bestemming Anders worden gevraagd om de bus te nemen naar hun bestemming.

Reizigers met bestemming Beter...

----------------------------------------------------------------------------------

En nu is het eens aan jullie! Hoe gaat het volgens jou verder? Schrijf het in een reactie onder dit bericht. Ik ben benieuwd!




woensdag 17 november 2010

Door de wind...



Zijn haren stonden wild. Een baard van enkele dagen oud. Donkere wallen onder zijn ogen. Een rommelige tafel met lege tassen koffie en overal papieren. Hij lachte. Het was klaar. Dit was zijn meesterwerk. Een symfonie voor groot orkest, Mozart waardig. Over een uurtje werd hij verwacht in Brussel. Hij wist nu al dat zijn werk indruk zou maken. Zijn meesterwerk.

Haastig knapte hij zich wat op: frisse kleren, tanden poetsen, baard... ach, die baard. Vlug nog een tas koffie, brood was er niet meer in huis. De tijd leek sneller te gaan dan anders: nog een halfuur. Hij grabbelde de partituren bij elkaar. Pas nu zag hij dat hij ze niet genummerd had. Te laat! Vlug alles in volgorde en een kartonnen map er rond.

Herfst. De wind sloeg in zijn gezicht toen hij buitenkwam. Het meesterwerk gekneld onder zijn arm. Met zijn andere hand zocht hij de autosleutel in zijn jaszak. Nog 20 minuten. Toen ging zijn gsm. Hij legde de map op het dak van de auto en nam op. Slecht nieuws: zijn vader was opgenomen in het ziekenhuis. Of hij meteen kon komen? Jaja, meteen, eerst het meesterwerk...

Chaos in zijn hoofd: eerst naar Brussel, dan zo snel mogelijk terug. Zijn lieve vader... Hij startte de auto en vertrok. Verward en moe. Op weg naar Brussel. Snel de autosnelweg op. Zijn meesterwerk. Uitgeput was hij. Maar het zou goed komen, dat voelde hij. Rukwinden trokken aan zijn gemoed. Zijn vingers knelden zich om het stuur.

De regen moeide zich in het spel. Achter hem deden bestuurders teken met hun lichten. Wat was er toch? Hij wist het niet. Geen tijd. Hij had nog 10 minuten. Tevreden keek hij naar de passagierszetel. Zijn meesterwerk. Het lag er niet! Zijn gsm lag er, eenzaam en koud. Waar was die map? Hij keek achterom, niets op de achterbank. Paniek overmande hem. Zijn adem stokte.

Op de snelweg naar Brussel dwarrelden partituren als herfstbladeren neer.

Een zieke, oude man wachtte op zijn zoon.

De regen wiste genadeloos maatstrepen, rusten en noten uit.

De wind woei hard.

De oude man had nooit van de herfst gehouden.


woensdag 10 november 2010

De aanhouder en de wind





Het zag er naar uit dat ik zou winnen. Al mijn krachten had ik aangewend. En ja, daar ging de voorlaatste. Die gaf ook op. Uitgeput viel hij op de grond. Zijn kleur was ook niet meer wat ze geweest was.
Ik had het dus gehaald. Als laatste had ik volgehouden. Nu viel ik wel goed op. Nu wel. Daarvoor was ik één van de zovelen. Nu was ik de enige. Men keek naar mij. Wijsvingers priemden mijn richting uit. Het deed me goed.
Lang kon ik het niet meer houden. Ik voelde hoe mijn krachten oplosten. Was het de regen die ze wegspoelde? Het was moeilijk. Ik voelde me ijl en leeg en heel licht. Vooral heel licht. De wind trok me met grabbelende vingers weg. Daar ging ik. Eerst maakte ik een kleine buiteling maar algauw kreeg de wind medelijden en liet me dwarrelen op een deinend bedje. Het zou onwaarschijnlijk een zalig gevoel geven om zo te zweven, maar ik was helemaal op. Het ging aan me voorbij. Ik liet los.
Onder mij stroomde het water van de rivier. De wind was me genadig. Mijn deinend bedje zou naadloos overgaan in het watertapijt. Het was goed zo. Zo ging het al eeuwen.
Maar ík had het wel het langst volgehouden!

woensdag 3 november 2010

In het rood staan

Elke week deed ik mijn boodschappen bij de groenteboer om de hoek. Ik kwam er graag en de koopwaar waren prima. Meneer en mevrouw Mulders hadden contact met hun klanten en het hart op de juiste plaats. Net toen ik wat blozende appels aan het uitkiezen was, zag ik een jongetje, wat mager en havenloos gekleed, met grote verlangende ogen kijken naar verse, donkergroene boontjes.

Ik betaalde mijn appels en wou buitenlopen, maar ook mijn aandacht werd getrokken door de heerlijk ogende boontjes en de aantrekkelijke prijs. In gedachte was ik ze al aan het klaarmaken zoals mijn grootmoeder dat altijd deed. Half in gedachten verzonken, hoorde ik de conversatie tussen het jongetje en meneer Mulders.

‘Hallo, Bert, hoe gaat het met je?’
‘Hallo, meneer Mulders. Goed, dank je! Ik was naar die boontjes aan het kijken. Ze zien er zo lekker uit.’
‘Ze zijn ook lekker, Bert. Mijn vrouw en ik hebben er deze middag nog gegeten. Hoe gaat het met je mama?’
‘Het gaat wel met mama, ze houdt zich erg goed.’
‘Dat hoor ik graag, Bert. Wil je nog iets kopen?’
‘Nee, meneer Mulders, ik keek alleen maar naar de boontjes.’
‘Wil je er wat meenemen, Bert?’
‘Nee, dank je, meneer Mulders, ik heb er geen centjes voor.’
‘Aha, ik begrijp het. Misschien heb je iets om te ruilen?’
‘Het enige wat ik bij heb, is een blauwe knikker. Ik win er alle knikkerpartijtjes mee!’
‘Is dat echt waar? Laat me die eens zien!’
‘Hier is hij. Het is een echte kampioen.’
‘Ja, ik zie het, Bert! Het is een hele mooie, maar... ik wil hem niet ruilen voor die boontjes. Ik had liever een rode knikker, ik spaar die al zo lang. Heb je thuis geen rode knikker?’
‘Ik denk het wel, meneer Mulders, maar ik ben er niet helemaal zeker van.’
‘Weet je wat, Bert? Neem een zak verse boontjes mee naar huis en als je nog eens langskomt, laat dan die rode knikker eens zien aan mij.’
‘Dat zal ik zeker doen, meneer Mulders. Heel hard bedankt!’
Bert spurtte naar huis, met zijn blauwe knikker in zijn broekzak en de zak boontjes gekneld onder zijn arm.

Mevrouw Mulders was tijdens deze conversatie naast mij komen staan. Toen Bert weg was, zei ze glimlachend: ‘er zijn zo nog twee jongens in het dorp. Alle drie hebben ze het thuis moeilijk. Berts moeder is ongeneeslijk ziek, de andere jongens hebben amper te eten. Meneer Mulders stelt voortdurend allerlei ruilhandeltjes met de jongens voor. Hij geeft ze boontjes, appels, tomaten of wat dan ook. Als de jongens dan terugkomen met hun rode knikker, dan zegt hij dat hij die rode knikkers toch niet zo mooi vindt. Hij stuurt ze terug naar huis, met een zak verse groenten of fruit en hij vraagt een gele of een groene knikker, voor de volgende keer. De jongens brengen altijd de gevraagde knikker mee, maar ze nemen hem ook altijd terug mee naar huis, met een zak verse groenten of wat fruit...’

Ik verliet de winkel, glimlachend om deze sympathieke man, onder de indruk van zijn onderhandeltechnieken.

Enkele maanden later verhuisde ik naar de grote stad, waar ik dit soort winkeltjes niet meer terugvond. Meneer en mevrouw Mulders en de knikkers bleven echter in mijn geheugen gegrift.

Jaren later ging ik op bezoek bij iemand in een dorpje niet zo ver van dat van meneer Mulders. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om zijn winkel op te zoeken. De deur was op slot. Er hing een wit papier op, met in kleine, sobere letters: ‘Gesloten wegens overlijden’. Mijn hart stond even stil. Er klopte iemand op mijn schouder. ‘De winkel is toe, meneer Mulders is vorige week gestorven. Het is vandaag zijn gebedswake, hier aan het eind van de straat.’ Ik knikte even, nog wat verward door het nieuws. Meneer Mulders was dood. Het raakte me meer dan ik had verwacht. De straat was leeg, grauw. Zonder nadenken stapte ik verder, richting funerarium. Toen ik daar toekwam zag ik mevrouw Mulders staan. Oud en grijs, maar met haar rug recht. Ze ontving iedereen met een woord van dank en ze koesterde de troostende woorden. Ik schoof aan in de rij, niet goed wetend wat ik haar zou zeggen en of ze me nog zou kennen. Voor me stonden drie jonge mannen. Een van hen was in brandweeruniform, de twee anderen hadden een mooi pak aan. Het waren knappe, verzorgde mannen. Elk van hen nam zijn tijd voor mevrouw Mulders en samen stapten ze naar de kist waarin meneer Mulders opgebaard lag. Ik zag hoe elk van hen liefdevol de hand van meneer Mulders vasthield en hem toesprak, alsof hij hen kon horen. Mevrouw Mulders had me ondertussen opgemerkt en kwam naar me toe, de mannen achterlatend bij haar overleden echtgenoot. Toen ik haar vertelde hoe het verhaal van de knikkers me al die jaren was bijgebleven zag ik haar lichtblauwe ogen even opflikkeren. Ze knikte en keek naar de drie jongemannen.

‘Die jongens waar Fred, want zo heette meneer Mulders, zo graag mee ruilde, zijn nu mannen geworden. Dat zijn ze.’ Met haar ogen wees ze naar de mannen rond de kist. ‘Ze vertelden me net hoe hard ze zijn ruilhandel waardeerden. Het heeft hen geholpen om te overleven. Ze hebben het niet gemakkelijk gehad, maar ze hebben het goed nu.’ De drie mannen verlieten de rouwkamer, triest, kwetsbaar. Ik zag hoe mevrouw Mulders overmand werd door emoties. Ze nam me bij de arm en leidde me naar de kist. ‘Weet je? Mijn man heeft nooit kunnen kiezen welke kleur de knikkers moesten hebben, maar de jongens zijn altijd eerlijk geweest in het ruilen. Vandaag ook. Vandaag hebben ze in zijn plaats de kleur gekozen. Wij hebben het zelf nooit echt breed gehad, maar op deze dag zou Fred zichzelf de rijkste man van de wereld gevoeld hebben...’ Liefdevol, met lichtjes trillende handen, nam ze een hand van haar overleden man op. Daaronder lagen drie prachtige rode knikkers te glanzen...

                                         

maandag 25 oktober 2010

Nieuw


Niets zo goed als T-time met een koekje en een streepje muziek. Vanaf nu kan je hier en daar een kleine mp3-speler zien opduiken. Het staat je vrij om dat snufje te laten spelen, te negeren, te vervloeken of te ontdekken.

woensdag 20 oktober 2010

Wachten



Ze staan daar, in het donker. Sommigen alleen, anderen in trosjes. Ze hebben weinig met elkaar te maken. Hoewel ze soms met een vijftiental zijn, staat ieder toch op zijn eilandje. Het is oktober. Dan staan ze met hun schouders wat opgetrokken, hun hoofd zoveel mogelijk in hun jas. Ze schermen zich af tegen de kou 's morgens. Anderen zonderen zich af van hun omgeving door hun mp3-oortjes. Vaak kan je horen wat zij horen. Gratis. Je hoefde het zelfs niet te vragen.
Soms zie je hen de gsm bovenhalen en zie je razendsnel die duim over het toestelletje gaan om berichtjes te schrijven. Naast hen doet iemand anders net hetzelfde. Je vraagt je af of ze naar elkaar sms-en...


Hun houding is bijna altijd dezelfde: gelatenheid en verveling. Wie kan, leunt ergens tegenaan en staat wat onderuit gezakt. Af en toe heft er iemand het hoofd op, zonder veel verwachting. Daarna verdwijnt dat hoofd weer in de kraag van de jas. De gedachten worden weer afgesloten. Het wachten gaat gewoon verder.

De meesten zijn jong. Ze lopen wat gebukt onder hun eigenwijsheid. 
Anderen zijn zeker dubbel zo oud en voelen zich niet erg op hun gemak. Onwennig kijken ze rond, naar die jongeren. Onzeker of ze hen wel kunnen vertrouwen. De donkere morgen verstevigt hun twijfel. 
Dan heb je nog de hele jonge gevallen. Zij kunnen dit nog niet alleen. Ze worden vergezeld door één van de ouders, meestal hun moeder. Ook hier is de variatie groot. Je hebt de fiere moeder die netjes rechtop staat, mooi gekleed en haar haar al netjes in de plooi. Trots op haar kind, trots op haar taak. Maar je hebt ook de andere moeders: onder die lange jas zie je een pyjamabroek en, ondanks de kou, blote voeten in open slippers. Dan heb je in deze categorie nog eens een opdeling: diegenen die zich niets aantrekken van de fronsende blikken en die, die spijt hebben dat ze niet wat vroeger begonnen zijn om de ochtend van hun lijf weg te werken en niet kunnen wachten tot het wachten stopt.
Eén ding hebben ze gemeen: ze wachten. Allemaal. Kind, tiener, senior, ... iedereen gelijk. Iedereen wacht even lang.
Het donker lost langzaam op. Voeten schuifelen ongeduldig heen en weer. Handen worden uit de jaszakken gehaald om op horloges te kijken. Tassen die op de grond stonden, worden weer in de hand genomen. Men wordt ongeduldig. Eén iemand zet een stap naar voor en steekt zijn nek uit om wat verder te kunnen kijken. De anderen kijken hem meewarig aan. Zij weten dat dat niet helpt. 
Hier en daar klinkt een zucht. Iemand knikt instemmend.
Wachten.
Busje komt zo. Hopelijk.

zaterdag 9 oktober 2010

Doorzicht




Ze was zo mooi. Als ze verdriet had, werd ze bijna doorschijnend. Kon hij maar echt door haar heen kijken om te zien waar dat verdriet vandaan kwam. Ze zei niets. Hij vroeg niets. Hij wist niet hoe hij erover moest beginnen. Gevoelens lagen nogal gevoelig. Bij hem thuis werd daar niet over gepraat.
Ze huilde. Langzaam vond een traan de weg naar haar kin. Na een tijdje drupte de traan op de tafel. Hij kon alleen maar kijken hoe die traan even later gezelschap kreeg en hoe zij nog doorzichtiger werd.
Om middernacht stond ze op. Hij volgde haar naar de slaapkamer. Zonder een woord ging ze op bed liggen. De tranen bleven komen, maar volgden nu een andere weg. Uren bleef hij naar haar kijken. Ze viel in slaap. Hij vond het fascinerend om te zien hoe ze slapend bleef huilen. Geruisloos en doorschijnend.
Ze leek verder dan ooit. Hij moest opstaan. Het was tijd om naar het werk te vertrekken. Heel behoedzaam veegde hij een traan van haar wang. Hij keek ernaar, alsof hij daardoor haar verdriet zou kunnen begrijpen. Het leken wel parels. Onverklaarbare parels. Hij keek nog één keer om.
Ze zag hem vertrekken. Haar eenzaamheid was compleet. De leegte kon niet groter worden dan dit. Alles in haar stroomde weg, ver weg. Ze liet het gaan, liet de tranen stromen. Oneindig veel doorzichtige parels. Het was goed zo. De eenzaamheid vormde een cocon rond haar, die ze dichterbij trok. Eindeloos stroomden de tranen verder.

maandag 4 oktober 2010

Plat National

September 1986. Martijn zat wat onwennig rond te kijken. Hij was met de fiets gekomen en nu hij binnen was, besloegen zijn brilglazen helemaal. Het was druk in het studentenrestaurant. Het nieuwe academiejaar was nog maar 2 dagen bezig.

Martijn keek rond, maar kende er niemand. Dat kon ook niet, want van zijn dorp was er niemand naar de universiteit van Leuven gegaan. Veel vrienden had hij ook niet in zijn dorp. Ze vonden hem maar vreemd: altijd met zijn neus in de boeken en in de klas stelde hij vragen aan de leerkrachten, waar die dan tot hun ongenoegen, geen antwoorden op wisten. Ze lieten hem met rust. Martijn was een rare jongen. Ze zouden hem vlug vergeten in het dorp. Niemand wist wat ze met hem aanmoesten.

‘Geschiedenis van de Oudheid’ aan de faculteit Letteren, had hij gekozen als richting. Zijn boeken en cursussen had hij al een paar maanden op voorhand in bezit. Enkele cursussen had hij zelfs al helemaal doorgenomen. Martijn wou goed voorbereid zijn. Hij nam studeren heel serieus. Zijn eerste lessen vielen goed mee: hij wist precies waar het over ging, want de avond ervoor had hij alles nog eens goed nagelezen. Met potlood had hij in de kantlijn wat aantekeningen gemaakt. Hij zou aan de professor wat verduidelijking vragen bij die vage omschrijving in alinea 2.

Er kwam een koppeltje aan zijn tafel zitten. Ze lachten en deden heel uitgelaten. Martijn hield er niet van. ‘Stoort het als we erbij komen zitten?’, vroeg de jongen. Martijn schudde glimlachend ‘neen’, maar alles in hem zei ‘ja’. Het koppeltje herschikte de dienbladen: het glas water en het dessertje werden even aan de kant gezet. Het meisje prikte giechelend enkele frietjes van het bord van de jongen. Hij sloeg speels met zijn vork naar haar hand en deed hetzelfde met haar frietjes.

Verlegen keek Martijn naar zijn bord. Het stoofvlees was op, de sla ook, nog één frietje lag er op zijn bord. Hij was zo gelukkig dat er studentenrestaurants bestonden. Hij kon zelfs geen ei bakken. Soep kwam uit een blikje en dan moest hij ook altijd opnieuw het etiket lezen om te weten hoeveel water erbij moest. Als er geen Alma bestond, zou hij alleen maar boterhammen met jonge kaas eten... Maar over het Byzantijnse Rijk wist hij dan weer alles.

Martijn had nog honger. Het eten was lekker en niet duur. De jongen aan zijn tafel zag hoe Martijn naar de frietjes in zijn bord staarde. Hij lachte. ‘Heb je nog honger? Wil jij ook mijn frietjes pikken? Dat gaat niet lukken, hoor!’ Hij stak zijn vork als een afweermiddel voor zich uit en stootte zijn liefje samenzweerderig aan. Het meisje lachte zwakjes, ze had wat medelijden met die sullige knaap. ‘Wil je nog frietjes?’ vroeg ze. ‘Dat kan hier, hoor. Je kan altijd frietjes gaan bijvragen.’

Het bord was leeg. Alles was op. Het laatste frietje ook. Martijn had goed begrepen wat dat meisje gezegd had: je kon frietjes bijvragen. Maar hoe? Moest je dan echt terug in die lange rij gaan aanschuiven? Daar had hij echt geen zin in. Maar extra frietjes zouden er wel in gaan. ‘Allez, waar wacht ge op? Sebiet zijn alle frieten op!’ zei de jongen. ‘Ik, euh, ik weet niet goed hoe dat hier gaat. Moet ik, euh, moet ik dan terug aanschuiven in die rij?’ zei Martijn. Het koppeltje keek hem verbaasd aan. Voor hen zat een écht groentje. Lieve help, hoe was dit toch mogelijk? ‘Weet je dat dan niet?’ vroeg de jongen. Martijn schudde verlegen zijn hoofd. Gisteren was hij ook met nog wat honger vertrokken. Hij was blij dat iemand hem zou inlichten. ‘Wel, luister goed. Het is niet moeilijk’, zei de jongen. Hij boog zich voorover en sprak Martijn stilletjes toe. Wat Martijn niet zag, was dat het meisje onder tafel een stootje gaf tegen het been van de jongen.

Martijn stond vastberaden op. Op weg naar meer frieten. Hij voelde zich wat licht in het hoofd. Zó eenvoudig was het! Dat hij daar zelf niet opgekomen was. Hij zou een extra portie frieten halen, die langzaam opeten en daarna terug naar zijn kamer gaan en nog wat studeren. Het leven lachte hem toe. Hij keek om naar de tafel waar hij zat. Zijn portefeuille lag er nog. Die nam hij toch beter even mee. Handig was dat niet: een dienblad dragen én die portefeuille. Het ding ging voor het gemak maar mee op het dienblad. Hij was er bijna. Nog een paar meter. Hij had geluk: er stond niemand voor hem. De jongen had hem duidelijke instructies gegeven. Hij kon de geur van de frietjes al ruiken.

Langzaam wachtte Martijn af tot hij het ritme van de lift begreep. Hij had enkele seconden om zijn dienblad erin te schuiven. Het was wel uitkijken. Vreemd toch dat er dienbladen tussenzaten met borden die niet helemaal leeg waren. Hij mocht thuis maar bijnemen als zijn bord leeg was. Nu zou het gebeuren: hij schoof zijn dienblad rustig en beheerst in de metalen geleiders van de lift. Met een luide, maar toch ook een beetje een trillende stem riep hij in de richting van de kelder: ‘één portie frietjes, één!’ Afwachtend keek hij zijn dienblad en zijn portefeuille na. Dan draaide hij zich hoopvol om naar de jongen die hem zo geholpen had.

Die moest zo hard lachen dat hij zich verslikte in een friet. Het meisje gaf hem nog een dreun. Martijn wachtte geduldig tot zijn dienblad weer voorbij zou komen...

woensdag 29 september 2010

A perfect match

Het was er donker en krap, dat herinner ik me vooral. We lagen zeker wel met honderd samen. Allemaal hetzelfde, onze koppen bij elkaar.

Er veranderde niets, we lagen daar maar te liggen. Wachten. Eindeloos wachten. Uren, dagen of waren het weken en maanden?

Heel af en toe werden we wild door elkaar geschud. Dan stond alles op zijn kop. Iedereen viel door elkaar. Op dat moment was dat niet prettig, maar het voordeel was dat je achteraf wel zeker iemand anders naast je had. Dat brak de sleur. We konden elkaar niet zien, want het was er altijd donker. Maar nieuwsgierigheid kenden we niet. We wisten dat we er allemaal ongeveer hetzelfde uitzagen.

Toen, eindelijk, toen veranderde er iets. We werden weer door elkaar geschud. Maar deze keer was het anders. We voelden hoe we opgepakt werden en hoe we even zweefden om vervolgens met een klap op een harde ondergrond terechtkwamen. Kort daarna beleefden we dit nog enkele keren: opgepakt worden en neergelegd. Na een tijdje was het weer rustig. We hoorden stemmen. Soms hoorden we muziek. Het bleef donker. Het wachten was weer begonnen.

Dan gebeurde het: fel licht omringde ons en grabbelende vingers rukten bruusk mijn buurvrouw weg. Onmiddellijk daarna werd het weer donker. Weer die stemmen, die rustig en lief klonken.

Zo ging het door, tot we nog maar met drieëntwintig overbleven. We stelden ons geen vragen. We wachtten gelaten af en zouden wel zien wat ons lot voor ons in petto had.

Plots werd ik weggegrist. Smalle, sierlijke vingers namen me vast aan mijn voeten en droegen me mee naar een grote houten tafel. Er zat een man aan. Hij glimlachte. De vrouw hield de doos waarin ik zo lang gevangen gezeten had dichterbij en streek vastberaden en hard met mijn hoofd tegen de doos. Dat was mijn lot! Ik stond in vuur en vlam. De kaars die ik met mijn vuur aangestoken had, likte tevreden mijn wonden...


woensdag 22 september 2010

Beelden zeggen meer dan woorden...

Dierenmanieren...



Wees een heer in het verkeer...



Cafépraat



Oorzaak en gevolg?



God is overal en opgelet in het bos!



Veiligheid boven alles!



Opruimen!



Zonder woorden...

dinsdag 14 september 2010

Er is leven...



Het was zover. Ik ging dood. Eindelijk, dacht ik. Nu zou het eindelijk gebeuren, na al die jaren van ongelukkig zijn, zou het nu eindelijk veranderen. Ik lag op mijn bed, wist dat het een kwestie van minuten was. Elke seconde proefde ik en ik genoot van de spanning. Straks was er de verlossing.

De laatste jaren had ik me suf gelezen over reïncarnatie. Het was echt overduidelijk. Na mijn dood zou ik terugkeren. Daarom keek ik er zo naar uit. Honderden boeken had ik verslonden, zelfs in het Engels en het Frans. Er bestond geen twijfel meer voor mij. Ik zou eindelijk dit lelijke, moddervette lichaam kunnen verlaten. Jarenlang heb ik het meegesleurd, tegen mijn zin. De laatste maanden kon ik alleen nog maar op mijn bed liggen. Maar ik zat in dat lijf en was er aan gebonden. Het was mijn gevangenis. Niets kon me bevrijden. Tot ik toevallig over reïncarnatie hoorde. Mijn opluchting was niet te beschrijven: dit lichaam was maar een tijdelijke tussenhalte. Een fractie maar van mijn bestaan.

De laatste minuut was aangebroken. Een glimlach krulde zich langzaam om mijn lippen. Eindelijk verlost van die veel te grote brok vlees. Mijn geloof was stevig en ik was er gerust in. Deze keer zou ik niet terugkeren als mens, maar als dier. Wat zou het worden? Een sierlijke hinde? Een snel jachtluipaard? Of nee, misschien wel een slanke giraf...

Toen was er niets meer. Het luikje ging dicht. Was het dat nu? Stopte het dan toch? Gedaan, finito, the end?
Fel licht hinderde mijn zicht. Ik rook vreemde geuren, die me deden vermoeden dat ik niet meer thuis was. Het duurde lang voor ik zover was dat ik mijn ogen kon openen. Eerst was alles wit, daarna vulde mijn gezichtsveld zich langzaam met kleur. Blauwe lucht met zachte wolkjes en groen, veel groen zag ik. Er waren ook bergen, met besneeuwde toppen. Heel langzaam keek ik rond me. Er was niemand te zien. Ik was alleen. Mijn ogen gingen naar beneden, naar mijn voeten. Grote, dikke en lompe poten met grote nagels stonden tussen het gras. Ik kon ze amper zien omdat mijn dikke vacht en buik in de weg zaten. Alles aan me was harig en dik! Wat was er van mij geworden?

Maanden verstreken. De kou kwam. Ijzige kou. Mijn lichaam had nu een sterk instinct dat mijn doen en laten beïnvloedde. Wekenlang propte ik me vol met het vetste voedsel dat ik kon vinden. Dikker en dikker werd ik. Zo dik dat ik me amper nog kon bewegen. Toen de eerste sneeuw viel, kroop ik weg in een hol. Slapen zou me goed doen. Heel lang slapen...

woensdag 8 september 2010

_____________Veilig?___________

De bodyguards

van Lady Gaga

maakten zich

ernstige zorgen

om de

veiligheidspasjes:

was het nu

twee naar links

en dan

één pasje

naar rechts

of omgekeerd?



vrijdag 3 september 2010

Angst

Die angst, die beklemmende angst. Ze moest weg. Maar het ging niet. Ze was een gevangene in haar eigen hoofd. Ze kon niet weg.

Er werd geklopt. Ze beefde. Opendoen? Nee. Niet nu. Men mocht haar zo niet zien. Ze dacht aan vroeger, hoe haar speelkameraadjes haar uitgesloten hadden en hoe ze langzaam, maar toch niet zo zeker, een eigen weg gegaan was. Hoe ze was opgeklommen en ergens anders een nieuw leven begonnen was, met veel respect van de nieuwe anderen. Hoe ze zich groot en sterk voelde.

En nu die angst…die beklemmende angst. Ze zou falen. Ze was niet sterk genoeg meer om dit toneelstuk nog langer te spelen. Ze kon het niet. Ze was helemaal zo sterk niet als men van haar dacht. Nee. Ze zou falen. Ze zou bezwijken. Maar waarom juist nu?


Ze bezweek, gaf het op. Het verleden dat ze meedroeg was te zwaar. Diep van binnen knapte het helemaal.

De postbode belde nogmaals. Tevergeefs. Hij zou morgen nog eens terugkomen...

maandag 23 augustus 2010

Tommie

‘Hallo’, zei hij, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was. Dat was het niet. ‘Hallo’, zei hij nog eens er hij lachte naar me.

Vijf minuutjes eerder had ik iedereen vrolijk uitgezwaaid. Papa doet op zondag iets leuks met de kinderen. Vandaag werd het een fietstocht. De kinderen blij en ik ook. Rust, dacht ik. De krantenstapel wegwerken, mails lezen, wat luieren, ... De namiddag zag er veelbelovend uit.

Ik gaapte naar hem. Hij keek, onschuldig lachend, terug. Als je denkt dat je alleen thuis bent en je loopt even de woonkamer in om de krant te halen, dan is het niet normaal dat er plots iemand ‘hallo’ tegen je zegt. Ik was sprakeloos.

Een jaar of vijf, schatte ik hem. Blond, krullend haar en heel charmant. Maar wat deed hij in mijn zetel, in mijn woonkamer? Ik begreep er niets van. Voor hem leek het heel gewoon.

‘Wie ben jij?’, vroeg ik. Meer kreeg ik niet gezegd. Het enige antwoord was weer een glimlach. Helemaal verdwaasd keek ik om me heen. We waren alleen. Wie was dat jongetje?

‘Wie ben jij?’, vroeg ik weer. Hij schikte de kussens en nestelde zich wat dieper in de zetel. ‘Doeternietoe’, zei hij, ‘maar ik blijf wel hier!’. Ik ging langzaam zitten in de andere zetel en bleef hem maar aanstaren. Een jongetje van vijf kan toch niet zomaar ineens alleen in iemand zijn zetel zitten? Zeker niets als je hem nog nooit gezien hebt. Hij was opvallend rustig en zelfzeker. Dat kon ik van mezelf niet zeggen...

‘Jij dacht lekker alleen te zijn, he?’, zei hij. Ik knikte. Ja, dat was wel zo. ‘En nu ben ik hier. En ik blijf, hoor.’ Ja, dat had hij nog al eens gezegd. ‘Heb je gisteren goed geluisterd naar wat je dochter zei?’ Ik dacht koortsachtig na over wat ze allemaal gezegd had. Dat is niet gemakkelijk, want haar mondje staat nooit stil. Zelfs als ze in haar bed ligt, tatert ze nog verder. Ik moest het antwoord schuldig blijven. Geen idee wat dat knulletje bedoelde. ‘Je weet het niet, he? Daarom ben ik hier. Omdat je het niet weet. Dat was niet lief van je. Je geloofde haar niet. En nu ben ik hier om te laten zien dat het echt waar is.’

Ik herinnerde het me. Ze zei, bij het slapen gaan, dat ik niet op dat ene plekje van haar bed mocht zitten. Dan zat ik op haar vriendje. Haar vriendje mocht geen pijn hebben. ‘Welk vriendje?’, vroeg ik lachend. Maar ze bleef heel ernstig en vond het duidelijk niet om te lachen. ‘Mijn vriendje is altijd bij mij’, zei ze. ‘Hij heet Tommie’. Ik had gelachen. Ze is toch zo schattig en slim en bedenkt altijd wel wat nieuws. ‘Slaapwel’, had ik gezegd, ‘zorg dat Tommie je niet wakker houdt met zijn gesnurk!’ had ik er nog aan toegevoegd. ‘Mama!’, zei ze verontwaardigd, ‘het is niet om te lachen!’ Ik gooide nog een handkusje en deed het licht uit. Dit hoefde ik niet ernstig te nemen.

‘Tommie?’, vroeg ik, ‘ben jij Tommie?’ Ik durfde het bijna niet te vragen. Dit was toch te gek voor woorden... ‘Geloof je het nu?’, zei hij. Ik knikte heel onzeker. Eigenlijk kon dit niet. ‘Het is niet leuk als mensen doen alsof je niet bestaat’, klonk het heel verontwaardigd. ‘Dus nu ben ik hier, nu weet je het. Ik ben een vriendje van je dochter.’

En nu? Wat moest ik nu doen? Met hem praten, toch maar de krant lezen, vragen hoe ik het goed kon maken? Ik had er echt geen idee van. Dit zou niemand geloven. Ik stond op en ging naar de keuken. Hij volgde me. ‘Koffie is niet lekker’, zei hij. Heb je niet wat melk?’ Mijn hand beefde een beetje toen ik een beker melk ingoot. ‘Dat is haar lievelingsbeker, met een paard op’, zei hij. De beker was in één keer leeg. Nog steeds verbouwereerd ging ik aan de keukentafel zitten. Toen ik mijn tas koffie neerzette, morste ik over de krant. Toen hoorde ik vrolijke kinderstemmen en het gerinkel van fietsbellen. Ik keek door het raam. Ze zijn terug! Ze moesten vlug binnenkomen en komen kijken en...

Ik draaide me terug om naar Tommie, maar die was weg. Mijn kinderen kwamen binnen, vrolijk, lachend, uitgelaten. Ze begonnen honderduit te vertellen maar stopten toen ze zagen hoe verward ik was. Ik stond op, ging naar de woonkamer, keek in de zetel. Niemand te zien.

‘Wat is er, mama?’ vroeg mijn dochter. ‘Ik, ik, ... och, het is niets’, zei ik en ik zette de lege beker vlug in de vaatwasmachine.


zondag 15 augustus 2010

Slaap


Je woelt
en draait
en wentelt

Je voelt
en aait
en lavendelt

Je dromen
met zuchten
en snikken

Je demonen
zij vluchten
en schrikken

Mijn blik
op je ogen
en je haar

Dit ogenblik:
ik bewogen
jij breekbaar




woensdag 11 augustus 2010

Pareltjes (deel 3)

gootouders
ADHDelhaize
leegschaal
wachtluisje
gestoorde haring
prulapen
pruimvee
wroetenzwijn
nachtbier
nagelslag
middelpuntvliedende klacht
vipzaag
knikkervisje
ruiterwisser
litenatuur
maanranding
draakneigingen
paneermail
bakmail
brokolie

Wil je nog pareltjes? Pareltjes, Pareltjes (deel 1), Pareltjes (deel 2)

dinsdag 27 juli 2010

Heb me lief...

Ik doe zo mijn best om niet op te vallen. Zo goed als ik kan, schik ik me naar mijn omgeving. Ik pas me zoveel mogelijk aan. Hoewel dat met mijn kleur niet altijd zo gemakkelijk is, hou ik toch vol. Ik mag er toch ook zijn? Ik neem maar een klein plekje in. Eigenlijk sta ik niemand in de weg. Mijn buurvrouw woont veel groter en luxueuzer dan ik. Zij heeft de ganse dag zon. Ik niet. De helft van de dag zit ik in haar schaduw. Maar ik klaag niet. Ik wil gewoon hier blijven. Het is hier goed. Als ik zo verder doe, dan kan ik hier oud worden, voor nageslacht zorgen, zorgen dat ik verder leef, hier op deze plek. Het is hier goed.

Af en toe krijg ik een kritische blik. Dan zie ik bedenkelijke blikken, zie ik soms handen die jeuken om me hier weg te halen. Maar gelukkig gebeurt het niet. Ik doe echt mijn best om netjes te zijn, ik zie er leuk uit en wil vooral niet opvallen. Voorlopig laten ze me gerust. Ik heb er goede hoop op dat dat zo gaat blijven.

Het kleine meisje dat hier dagelijks voorbij huppelt is heel lief voor me. Als het heel erg warm is, krijg ik van haar soms wat water. Dat is zo aardig. Ik kan echt wel zonder, hoor. Natuurlijk kan ik volledig voor mezelf zorgen. Maar ach, zo een klein meisje doet ook maar om goed te doen.

Een volledige maand ben ik hier nu. Ik voel me echt helemaal thuis. De omgeving heeft me aanvaard. Ik voel me helemaal opgenomen in het geheel. Alles lijkt goed te gaan. Ik ben tevreden. Maar de eigenaar is dat niet. Op een dag stond ze hier. Met haar handen, tot vuisten gebald, in haar zij. Ze schudde haar hoofd. Ze was duidelijk niet tevreden. Ik vreesde het ergste. Ze kwam op me af. Ik had gelijk: het ergste ging gebeuren. Ze bukte zich, greep me vast en trok me met één ruk uit de grond. Zonder nog om te kijken wierp ze me weg.

Madeliefjes horen nu eenmaal niet thuis in een strakke buxustuin...



woensdag 21 juli 2010

Ieder diertje zijn pleziertje

Het was een zware dag. Maar ik voelde me goed. Het is niet meer dan normaal dat ik dit deed. Alleen kon hij het niet. Na het werk reed ik onmiddellijk naar Davy. Ik heb eten gemaakt voor hem en hij vond het zelfs lekker... Daarna kuiste ik zijn huis en reed ik het gras af. Toen dat gedaan was, zijn we er aan begonnen. Het nieuwe bed en de nieuwe kasten werden ineen gezet.

Davy kan het niet alleen. Nog geen jaar geleden werd hij ontslagen uit het ziekenhuis. Een zwaar motorongeval. Het leek erop dat hij het niet zou halen. Davy is een vechter en hij vocht. Hard, heel hard. Hij haalde het. Maar hij is daar nu niet gelukkig mee. Ik ging hem ophalen uit het ziekenhuis. Hij liet me niet toe dat ik zijn rolstoel duwde. Hij zou alles zelf doen. Twee verlamde benen en één verlamde arm. Dan is het niet gemakkelijk om voor de eerste keer in een rolstoel te zitten. De koppigheid is het moeilijkst.

Het grootste stuk van de avond hadden we nodig om alles ineen te puzzelen. Davy delegeerde: eerst alles uitpakken en sorteren, dan stap voor stap het plannetje volgen. Het was een onoverzichtelijk gedoe in zijn woonkamer. Vanaf nu zou hij beneden slapen. Alles werd nu zo ingericht dat hij de dingen binnen handbereik had. De bovenverdieping was zorg voor later. De eerste kast stond er al na een uur. Ik was fier op mezelf. Dit had ik nooit eerder gedaan. Maar voor Davy deed ik dat graag. We hadden veel plezier en dat deed deugd. Hij zei dat hij graag een huisdier wou houden. Dat zou hem wat afleiding geven. Hij had al gemaild met iemand en verwachtte snel antwoord.

Eindelijk was alles klaar! Elke kast had zijn vaste plek gekregen. Het bed was opgemaakt. Hier en daar was er al iets in de kast gelegd, een kader teruggehangen, ... Het kreeg vorm. Davy zag dat het goed was. Ik ruimde het verpakkingsmateriaal op. Davy lachtte: misschien moet ik dat bijhouden om binnenkort een hok te maken voor mijn nieuw huisdier. Alles ging netjes gesorteerd mijn auto in. Als ik me haastte kon ik nog naar het containerpark. Daarna naar huis en een ontspannend bad. Dat leek me wel wat!

Middernacht. Het stof en werkzweet was van me afgespoeld. Ik zocht nog iets om te knabbelen. Waarom was ik niet moe? Klaarwakker was ik. Niets interessants op tv. Dan maar even de computer op. Even aanmelden op Facebook. Ha! Davy had hetzelfde gedaan. Maar wat was dat? ‘Ik zoek dringend nog wat planken en ander materiaal om een schuur te kunnen maken. Anders kan ik mijn dieren niet houden.’ schreef hij. Zou hij dan al antwoord gehad hebben? Welk dier wou hij eigenlijk houden? Verdorie! Ik zie hem weer alleen er aan beginnen en dan vloeken omdat het niet gaat zoals het vroeger ging. Weet je wat? Ik mail wat vrienden. We doen dat samen voor Davy.

Zaterdagmorgen om 10u00 stonden we voor zijn deur. Paul had zijn aanhangwagen vol met houten planken. In Eddy zijn koffer staken boormachines, schroefmachines en nog veel meer materiaal. Dat schuurtje zou vandaag klaar zijn. Davy zou de mooiste schuur van heel de wereld krijgen! Met slaapoogjes deed hij de deur open. Zijn mond viel open toen hij ons zag staan. Maar wij hadden geen tijd, het moest vooruit. Alles werd naar de tuin gesleept. Ik keek rond of ik een hond zag, of kippen, of dwerggeitjes of.... Tja, welk dier wou hij eigenlijk?

Davy maakte koffie. In de keuken stond een grote kooi met een prachtige papegaai. Davy keek er naar en dan weer naar mij. ‘Wat gebeurt hier?’ vroeg hij? ‘Davy? Waar wil je die schuur?’ vroeg Paul ondertussen. ‘Is 4 meter op 5 genoeg, Davy?’ vroeg Eddy. Davy schudde zijn hoofd. ‘Davy, Davy, Davy!’ krijste de papegaai. ‘Wat gebeurt er?’ vroeg hij nog eens. ‘Je wou toch een schuur? Je ging toch dieren houden?’ Davy zei niets en keek hoe Eddy en Paul aan het meten waren en druk gebaarden hoe groot de schuur zou worden. ‘Een schuur?’ zei hij, ‘Voor mijn papegaai?’ Ik begreep er ook niets meer van. ‘Je schreef dat gisteren toch op Facebook? Je had materiaal nodig voor een schuur en je had me zelf gezegd dat je een huisdier wou....’ Terwijl Paul en Eddy de eerste palen in de grond klopten, sloeg Davy met zijn goeie hand tegen zijn voorhoofd. ‘Die schuur bestaat niet echt’, zei hij. ‘Ken je Farmville dan niet op Facebook?’ Ik stond aan de grond genageld. Eddy kwam binnen om een pleister te vragen. Paul had op zijn duim geklopt. ‘Davy, Davy, Davy!’ krijste de papegaai...



dinsdag 13 juli 2010

Onbetaalbaar

Het was moeilijk. Ze hadden bijna zestig jaar in het huisje gewoond. Hun kinderen waren er geboren. Het leven was er vaak zwaar geweest, maar ook goed. Ze waren blij dat ze elkaar nog hadden. Maar nu, na de ongelukkige val van Juul, ging het niet meer. Juul herstelde niet zo goed van die gebroken heup en Wiske kon het alleen niet aan om hem te verzorgen.

Ze hadden een kamer in het rusthuis gekregen. Het was een mooie kamer. Een mooi uitzicht ook. Je kon over een stuk van het bos zien en daarachter waren de velden. Dat vonden ze fijn. Nu konden ze kijken hoe de boeren werkten. Ze moesten het zelf niet meer doen.De kamer was ruim, maar toch zouden ze moeten kiezen. Alleen het hoogst noodzakelijke konden ze meenemen. Hun meubels pasten er niet in. Wiske had het er moeilijk mee. Ze liet niet graag iets achter.

Nog twee dagen en dan zouden ze voor de laatste keer de deur van hun huisje dichtdoen. Het stond te koop. De kinderen woonden ver weg. Hun zoon was verhuisd naar Zuid-Afrika en zagen ze bijna nooit meer. Ze kregen al een mooi bod voor het huisje. Genoeg om de rest van hun dagen in het rusthuis te betalen. Dat het na de verkoop afgebroken zou worden om er een appartement in de plaats te zetten, wisten ze niet.

De meeste dingen die niet meekonden naar het rusthuis waren verdeeld onder familieleden. De spulletjes die wel meegingen stonden in enkele dozen in de gang naast de kast. ‘Juul, de kast! We zijn de kast vergeten weg te doen!’ zei Wiske. Juul knikte, hij wist het wel. Hij vond het een erg mooie kast. Gekregen van zijn vader, die ze dan weer van zijn vader had gekregen. Juul had nog het liefst dat ze bleef staan waar ze stond. Maar dat kon niet. Het huis moest leeg. Wiske stak haar licht op en kreeg een goede tip. Als ze de kast nu eens verkochten aan een antiekhandelaar, dan kregen ze er misschien nog een mooi bedrag voor.

Wiske deed de deur open. Een meneer in een mooi maatpak stak zijn hand uit. “Goedemiddag, mevrouw, ik kom even kijken naar de kast”. Wiske knikte en liet hem, zonder iets te zeggen, binnen. Meneer Vandamme zag het meteen: de kast was een prachtexemplaar, echt antiek en ze zou veel kunnen opbrengen als hij ze wat opmaakte en verkocht. Hij liet het echter niet merken. “Ach, mevrouw! Deze kast is werkelijk van geen waarde. Dat krijgt u aan niemand verkocht.”

Wiske was ontgoocheld. “Het is nochtans een echt erfstuk”, zei ze. “We moeten er vanaf omdat we morgen naar het rusthuis gaan. We hadden gehoopt om er nog wat voor te krijgen.” Meneer Vandamme knikte. Hij begreep het. “Ik kan u hier echt niets voor geven, mevrouw. Maar weet u wat? Ik merk dat u en uw man niet meer zo goed te been zijn. Ik wil u wel verder helpen. Als u overmorgen het huis leeg wil hebben, steek ik graag een handje toe. Ik haal morgen de kast op en breng ze voor u naar het containerpark.” Ze knikte teleurgesteld. Er zat niets anders op. Meneer Vandamme beloofde dat hij de dag erna om 11u terug zou komen. Ze moesten zich geen zorgen maken.

Klokslag 11 uur stond meneer Vandamme aan de deur. Hij kon met moeite een grijns verbergen. Hij had al wat opzoekwerk gedaan en zag de kassa al rinkelen. Ongelooflijk toch, wat je mensen allemaal kon wijsmaken? Wiske deed de deur open, ze was erg vriendelijk en lachte. “Kom maar binnen, hoor!” zei ze. Meneer Vandamme stapte binnen. Waar was die kast naartoe? Ze stond niet meer op dezelfde plaats... “Ach meneer”, zei Wiske, “we vonden u zo behulpzaam. Juul stond er op om u te helpen. Het heeft hem enkele uren gekost. Maar hij vond dat dat het minste was wat hij kon doen. Natuurlijk heb ik ook geholpen. Er zijn al zo weinig goede mensen in de wereld, meneer. Als we elkaar kunnen helpen, is het leven zoveel gemakkelijker, vindt u niet?” Meneer Vandamme begreep er niets van. Waar was die verdomde kast? “Juul heeft de kast in stukken gezaagd, meneer. Dat zal voor u veel gemakkelijker zijn om in uw auto te krijgen en de container te smijten!”