woensdag 12 december 2012

Kruimels


Ze ontbijt tussen de kruimels van de pizza van gisteren. Langzaam kauwend op het oude brood, staart ze naar het versleten tafelkleed. Nog maar eens wordt ze doordrongen van het gevoel van onmacht. Ze is ongelukkig. Erg ongelukkig. Nu de kinderen weg zijn toch.

Gisteren zag ze het versleten tafelkleed niet, zag ze geen stapel rekeningen en de lege koelkast viel niet op. Het vrolijk gekwetter van de kinderen vulde toen het huis.

Ze beneed hun eeuwige optimisme, hun nooit ophoudende drang om te relativeren. Uren kon ze naar hen kijken. Haar kinderen maakten haar gelukkig. Maar als ze weg waren, zoals nu, was het te zwaar. Dan woog de leegte. Ze miste het bruisend leven, de spontane knuffels, zelfs de rondslingerende sokken.

De eenzaamheid was van een immense grootte, haalde haar schouders naar beneden en liet zich zelfs fysiek voelen in een massieve druk in haar borstkas. Eenzamer dan dit kon ze niet worden.

Ze legde haar hand op tafel en spreidde haar vingers. Vijf vingers. Vijf dagen. Dan kwamen ze terug. Dan zou de koelkast nog even leeg zijn, zou de stapel rekeningen wat aangegroeid zijn, maar zouden de kinderstemmetjes de ellende weer even verhullen. Nog vijf vingers.

Ondertussen hield ze zich krampachtig vast aan de achtergebleven kruimels op het versleten tafelkleed.




donderdag 6 december 2012

Ritueel


Elke morgen zit ze daar. Ze stapt een halte na mij op. Met fijne stapjes gaat ze naar de plaats net achter de buschauffeur. Ze rijdt tegen de rijrichting in. Ik zit op de achterste rij en kijk haar recht aan. Ik ken haar niet en dat hoeft ook niet. Als ze neerzit, doet ze de rits van haar jas een klein beetje open. Haar nek wordt bevrijd van de dikke, wollen sjaal. Ze legt hem op haar schoot. Vervolgens neemt ze haar grote schoudertas. Ze kucht even, doet de tas open en haalt er een pakje zakdoekjes uit. Bijna onhoorbaar snuit ze haar neus en bergt het zakdoekje in haar jaszak op. Een tweede zakdoekje komt tevoorschijn. Ze ontvouwt het helemaal en plooit het dan weer netjes in vieren. Ook dat komt op haar schoot terecht. Opnieuw gaat haar hand in haar tas. Ze neemt er een thermostas uit. Het metaal blinkt zacht en weerspiegelt in het raam. Nog voor ze het deksel van de thermos los draait, zie ik hoe ze nu al geniet. De randjes van het ding zijn afgewerkt met paars plastic. Ze legt haar vingers er liefdevol rond. Heel eventjes speelt ze met het touwtje en het theelabeltje dat over de rand bengelt. 

Ik merk hoe ze een klein zuchtje laat ontsnappen en zich dan voorbereidt op het voorzichtig nippen van haar thee. Het aftasten van de warmte ervan, of de thee dezelfde smaakt heeft als gisteren en de dag ervoor. Ze kijkt eerst nog even naar buiten, droomt wat weg. Ze ziet niets, het is nog te donker buiten. Of kijkt ze naar haar weerspiegeling in het raam? Ik doe dat in ieder geval wel. Zo kan ik naar haar kijken, zonder dat zet het merkt. Dan ontmoeten onze blikken elkaar. Via de reflectie in het raam. Elke dag opnieuw.

Schaamteloos blijf ik haar zo aanstaren. Eigenlijk is het bluf: zij weet niet zeker of ik naar haar kijk of gewoon door het raam. Maar dat is misschien ook wat zij denkt? Het interesseert me niet. Ik kijk alleen maar. Haar ritueel wordt een beetje het mijne. Ze drinkt haar thee, op de bus. Uit een fonkelnieuwe thermostas, zilver blinkend met paarse accenten. Na elke slok laat ze haar handen rusten op het zakdoekje. 

Hoe het ritueel verder gaat, weet ik niet. Mijn halte komt eraan en ik weet dat zij dan nog geen aanstalten maakt om af te stappen. De rits van haar jas blijft lichtjes openstaan, de sjaal blijft op haar schoot liggen. Er komt een dag dat ik op die bus blijf zitten, tot zij afstapt. Dan zal ik weten of haar thee helemaal op is. Zou ze nog wat doen met dat zakdoekje? Enkel de fijne stapjes die ze zal nemen om van de bus af te stappen, daar ben ik zeker van. Die kan ik me levendig voorstellen. Als ze dan van de bushalte wegwandelt, zal ik haar nakijken, tot ze uit het zicht verdwenen is. Als ik me omdraai, zal ik naar haar lege plaats in de bus staren en dan naar het raam. Misschien vang ik nog een glimp op van haar reflectie in het glas, of van de weerspiegeling van haar thermostas.

Een droog belletje haalt me uit mijn gedachten. Hier is mijn halte. Ik rits mijn jas toe en stap af. Als de bus wegrijdt, kijk ik eventjes achterom. Ik zie hoe ze me nakijkt. Ze nipt van haar thee. Ze geniet. Ik neem me voor om morgen op de bus te blijven zitten. Of overmorgen. Of misschien ook niet.



woensdag 7 november 2012

Kersen


Ze klom behoedzaam de ladder op. Voetje voor voetje. Als je 76 bent, doe je die dingen wat trager. Maar Rachel deed het. Bijna elke maand. Ze hield haar huisje graag proper en de ramen lappen hoorde daar ook bij. Richard, haar man, was er niet meer mee akkoord. Hij was twee jaar ouder. Voor hem hoefde het niet meer zo. Hij zag niet erg goed meer, dus een vuiltje op de ramen stoorde hem totaal niet. En wat de mensen van zijn ramen dachten, daar had hij lak aan.

De laatste tijd was Richard vooral moe. Hij droomde vaak weg en ontglipte zijn dagelijkse bestaan. Dan zag hij beelden uit zijn jeugd. Vroeger kwam zo terug en dat maakte Richard gelukkig. Wat Rachel dan ook zei, het drong niet tot hem door. Hij klampte zich vast aan die beelden, hij zoog ze op, liet zich er helemaal van doordringen.

Rachel zette haar voet op de volgende sport van de ladder. Haar knokige vingers omklemden krampachtig het metaal. Ze pufte even. Het was een hele karwei. Gelukkig was ze bijna klaar. Dan zou ze thee zetten en zouden ze samen een kopje drinken, aan de tafel bij het raam. De koekjesdoos mocht ook op tafel. Dat zou ze wel verdiend hebben.

Richard stond naast de ladder. Zijn linkervoet stond op de onderste sport en zijn twee handen hielden de zijkanten vast. Zo deden ze dat al jaren. Zij lapte de ramen. Hij hield de ladder vast. Daarna dronken ze thee, aan de tafel bij het raam. Met een koekje. Maar Richard zijn gedachten waren niet bij de ramen, zelfs niet bij de koekjes. Richard droomde weg.

Tien jaar was hij die zomer. Een heerlijk, warme zomer waar geen eind aan leek te komen. Hij liep met zijn broers tussen de ladders door. De boomgaard geurde heerlijk naar rijpe kersen. Ze waren al dagen aan het plukken. De jongens dolden wat, holden van boom naar boom, joelden en speelden zoals jongens van tien jaar doen. Richard haalde zijn voetbal. Doelmannen werden aangeduid en de bomen fungeerden als doelpalen. Het was een zorgeloze tijd. De Richard van nu was weg, hij stond daar wel met zijn handen om de ladder, in de straat waar hij al meer dan de helft van zijn leven met Rachel woonde. Maar toch was hij er niet. Hij voetbalde, ongeveer  68 jaar geleden, in de boomgaard van zijn vader. Richard sloot zijn ogen. Plots was daar ook die geur van toen, de geur van kersen in de zomer, van spelende jongens met fruitvlekken op hun handen, van hoog gras en de houten ladders die tegen de bomen leunden.

Rachel nam haar zeem en spons en ging zorgvuldig te werk. Ondanks de inspanning genoot ze er ook van. Het was bijna een ritueel. Nog even de randjes droogvegen en ze was klaar. Klaar voor thee met koekjes. Het enige waar ze wat tegenop keek, was de terugkeer naar de begane grond. Afdalen van de ladder was echt moeilijk geworden. Haar heupen stroefden en haar evenwicht leek soms het noorden kwijt. Gelukkig stond Richard daar en hield hij de ladder stevig vast.

Ver weg, verdwaald in de geuren van zijn kindertijd, zag Richard hoe de bal veel te hoog ging, na een harde uittrap. Vader had hen zo vaak gewaarschuwd en nu was het zo ver: de bal ging de boom in en bleef in de takken hangen. Richard sloeg met zijn handen tegen zijn hoofd. Nee! Zijn bal, zijn lievelingsbal... 

Rachel zette haar voet een trapje lager, klaar om naar beneden te gaan. Ze voelde de ladder wat wankelen en riep naar Richard dat hij ze goed moest vasthouden.

Maar Richard was niet hier. Hij was tien jaar. Zijn bal zat vast in een boom. Het was zijn lievelingsbal. Richard nam de ladder die tegen de kersenboom leunde, duwde die onder de tak en schudde ermee. Zo hard als hij kon. Zijn handen omklemden het metaal. Een jongen van tien is sterk als hij zijn voetbal uit de boom wil schudden. Dus schudde Richard harder en harder. Zo hard hij kon. De ladder ging heen en weer en Richard stopte pas toen hij naast zich een droge plof hoorde.

De ramen waren gelapt. Richard had zijn bal terug. Maar koekjes met thee zouden er vandaag niet zijn. 






woensdag 26 september 2012

Bittere zes

(Let op: dit is een vervolgverhaal. Lees eerst de vijf vorige!)

Ik stormde door de gang, door de inkomhal, naar niets of niemand omkijken. Woede had me overmeesterd. Mijn ademhaling ging snel en oppervlakkig. Ik wist zeker dat het kloppen van mijn hart hoorbaar was tot op de eerste verdieping, waar Toms kantoor was. Met veel te grote stappen kwam ik bij mijn auto. Mijn hand trilde zo erg dat het even duurde voor ik de sleutel in het contact kreeg. De auto startte en ik zette hem in achteruit. Zo snel mogelijk weg hier, dat was het enige dat ik dacht. Toen ik bijna aan de uitrit van de parking was, zag ik hem staan. Tom.

Zijn hemd was weer netjes dichtgeknoopt. Hij stak zijn handen omhoog om aan te geven dat ik moest stoppen. Ik lachte minachtend. Hij zou me niet tegenhouden. Toch zette hij kordaat een stap opzij, zodat hij mijn doorgang versperde. Ik gaf een vinnige ruk aan het stuur en ontweek hem. Het was een reflex. De auto op de hoek van de parking kon ik niet meer ontwijken. Ik hoorde een schurend geluid. Het interesseerde me niet. Ik hoopte uit de grond van mijn hart dat het de auto van Sofie was!

In de spiegel zag ik hoe Tom ontredderd keek. Van mij naar de brokstukken en terug. Hij liet zijn armen zakken. Hij besefte nu wel dat hij me niet kon stoppen.

Waar moest ik naar toe? Naar huis? Naar een vriendin, om uit te huilen? Naar Bart? Bart… neen, zeker niet naar Bart. Ik wist het niet meer, voelde me zo verloren, maar vooral erg eenzaam. Mijn hoofd was te vol, er zat teveel in en er was geen plaats meer op overschot. Mijn fundamenten waren hierop niet voorzien. Het zou niet lang meer duren voor de kleine barstjes scheuren werden en dan zou alles verzakken. Of erger nog: instorten.

Hoe lang reed ik rond? Geen idee. Het was ook niet belangrijk. Gelukkig was ik wel wat rustiger geworden. De razende woede was wat weggeëbd maar had een bittere nasmaak achtergelaten. Het smaakte zoals het restje uit een theekopje, waarin Earl Grey gedronken was.

Het autorijden gebeurde op automatische piloot. Ik voerde alle handelingen uit zonder er bij na te denken. Dat zou ook niet meer gelukt zijn: er was al meer dan genoeg om over na te denken… Ik was bijna thuis. Ook daar had ik niet over nagedacht, het gebeurde gewoon. Thuis was de enige plek waar ik naar toe kon gaan. Naar huis en naar mijn fleecedekentje.

Net voor ik het kruispunt opreed, speelde ‘ons liedje’ op de radio. Het favoriete nummer van Tom, waarop we zo vaak gedanst hadden. Ik voelde zijn armen plots om me heen en wist dat hij, aan het eind van het liedje, ‘ik hou van je’ zou fluisteren in mijn oor. Tranen welden op en vertroebelden mijn zicht. Ik barstte uit in luid, bijna dierlijk, gehuil. Zonder nadenken, zonder opletten, reed ik door. Dat het verkeerslicht voor mij op rood stond, had ik niet gezien…



woensdag 5 september 2012

Bittere vijf

(Let op: dit is een vervolgverhaal. Lees eerst de vier vorige!)

Ik rende naar huis. Het kon niet snel genoeg gaan. Boosheid joeg me op, achtervolgde me en ik holde sneller en sneller. Thuisgekomen plofte ik in de zetel, nam een fleecedekentje en wentelde me in zelfmedelijden.

Er kwamen tranen. Tranen van woede, van ontgoocheling. Met de tranen kwam ook het besef dat ik het recht niet had om boos te zijn. Bart had geen verplichtingen tegenover mij. Hij was de vrijgezel. Ik was de getrouwde moeder. Mijn boosheid op hem sijpelde met mijn tranen weg uit mijn hoofd. Maar toch was ze niet weg. Nu was ik vooral boos op mezelf.

Ik nam een besluit. Het was nu meer dan genoeg geweest. Geen geflirt meer, geen verboden dromen, geen geniepig gedoe meer. Ja, dat voelde goed zo! Ik rechtte mijn rug, droogde mijn tranen, gooide het dekentje aan de kant en stond op. Mijn huwelijk was veel belangrijker dan deze spielerei.

Een idee popte ineens op. Ik dacht er eventjes over na: het was elf uur, dus de timing was perfect. Ok, actie! Een snelle douche, een vleugje parfum en een streepje make-up. Ik was tevreden met het resultaat. Ondanks de vreselijke voormiddag zag ik er goed uit. De boosheid was met het douchewater weggespoeld en zelfzekerheid had het plaatsje ingenomen.

Zelfs de zoektocht naar mijn autosleutels verliep goed. Meestal moest ik lang zoeken en mijn handtas helemaal omkieperen. Maar nu lagen ze gewoon op de keukentafel. Alsof het zo moest zijn. Het bevestigde dat mijn idee goed was. Met de sleutels in de hand en een stralende glimlach op mijn gezicht, trok ik de deur achter me dicht.

Het zou niet lang duren voor ik op het kantoor van mijn man was. Dan was het lunchtijd. Tijd genoeg om hem mee te nemen naar dat kleine, fijne restaurant in de buurt. Champagne en oesters... Of zou dat op een doordeweekse dag te decadent zijn? Ik had in ieder geval iets te vieren, maar dat kon ik hem uiteraard niet vertellen. Mijn man hield wel van dit soort verrassingen.

Ik parkeerde mijn auto. Toen ik de sleutels in mijn handtas stak, ging mijn telefoon af. Een berichtje van Bart. "Vanavond thuis?" las ik. Ik wiste het meteen en twijfelde even of ik mijn man zou verwittigen van mijn komst. Misschien zat hij net in een belangrijke vergadering en kwam ik wel erg ongelegen? Ach, daar waren de twijfels weer. Vlug schudde ik ze van me af. Ik zou hem verrassen. Dat was het plan. En dat was het leukst.

Het was lang geleden dat ik nog op het bedrijf geweest was. Tussen de vertrouwde gezichten zag ik ook vele nieuwe personeelsleden.
"Kan ik u helpen, mevrouw?" hoorde ik. Een vriendelijke jongeman had me aangesproken. Ik bedankte hem en zei hem wie ik was en dat ik de weg in het bedrijf wel kende. Hij knikte en staarde me maar wat aan. Hij wist blijkbaar niets meer te zeggen.

Ik nam de lift, wachtte op het droge geluid van het belletje en liet me naar boven brengen. Een paar passen verderop in de gang was zijn kantoor. Vlug checkte ik mijn kapsel, trok mijn blouse en rok recht, klopte aan en stapte meteen naar binnen.

"Hallo!" zei ik vrolijk. Hij zat niet aan zijn bureau. Ik keek even opzij. Er stond een grote fauteuil met wat kleine clubs, netjes geschikt rond een design tafel. "Joehoe!" riep ik nog eens.

Ik zag zijn hoofd verschijnen. Het kwam piepen over de rand van de lederen zetel. Een fractie van een seconde vond ik dat grappig, maar de blik in zijn ogen schudde me door elkaar en nagelde me aan de grond. "Tom?" vroeg ik. Zijn hoofd bleef daar zo staan. Onbeweeglijk. De rest van zijn lichaam bleef verborgen achter de rugleuning. "Tom?" herhaalde ik en ik stapte dichterbij. Hij hield zijn hand afwerend omhoog. "Ik ... ik, het..."

Een tweede hoofd verscheen. Het hoofd van Sofie, zijn secretaresse. Ik stond perplex en geraakte in ademnood. Sofie knoopte haar blouse dicht en schikte haar haar.
"Klootzak!" riep ik. Ik draaide me om, sloeg de deur zo hard als ik kon dicht en stapte met grote, boze stappen naar buiten. Ik voelde de blikken van de vriendelijke jongeman in mijn rug. Nee, hij kon me niet helpen...





woensdag 29 augustus 2012

Bittere vier

(Let op: dit is een vervolgverhaal, lees eerst de drie vorige)


Mijn handen rustten op de rand van het aanrecht. Ik had mijn keukenschort weer omgeknoopt. De emoties die door me heengingen kon ik zelfs niet omschrijven. Mijn blik stond op oneindig, starend naar het warme water dat zich mengde met het afwasmiddel in de spoelbak. Barts vraag of hij kon helpen met de vaat, had ik zelfs niet gehoord. Het gevoel dat overheerste was dat van het willen verdwijnen. Ik wou hier niet zijn. Deze situatie kon ik niet aan en dus ging ik ze liever uit de weg. Maar een vrouw die tijdens het diner op dit uur haar huis verlaat? Dat zou ik met geen enkel excuus kunnen verantwoorden… Het water stroomde ondertussen over de rand van de spoelbak.

Een arm gleed tussen mijn middel en mijn arm door. Een warme hand nestelde zich zachtjes op mijn buik. Een andere arm ging ook langs me heen en draaide de kraan toe. ‘Het eten was heerlijk’ hoorde ik vlak in mijn oor. De stem van mijn man. Ik knikte even, opgelucht. Mijn hoofd leek een reset te doen en ik kon weer denken. De twee mannen namen een vaatdoek en hielpen me, ondertussen keuvelend over het werk en de laatste zakenreis en de aan te raden hotels. Het leek wel of ze me vergeten waren.

Het werd weer een slapeloze nacht. Allerlei scenario’s rolden aan mijn ogen voorbij. Maar geen enkel was goed, geen enkel gaf me voldoening of de zekerheid dat het het juiste was. Wat doen andere vrouwen in zulke situaties? Vertellen ze alles aan hun beste vriendin? En als ze dat doen, biedt dat dan een oplossing? Het maakte me zo eenzaam, zo onzeker… Hoewel ik nog steeds vlinders voelde als ik aan Bart dacht, was er ook wat anders: ongenoegen, boosheid, frustratie. Hij was niet fair. Niet tegenover mij, maar zeker niet tegenover mijn man. Ik zuchtte eens diep, trok de deken onder mijn kin en kroop dicht tegen hem aan. Zijn arm gleed vanzelf over me heen en hij trok me wat dichter. Ik gaf me over aan de slaap.

De volgende ochtend kwam traag op gang. Ik moest niet naar het werk en had het huis voor me alleen. Het stond vast dat ik wat afleiding moest hebben vandaag. Na de was en het stofzuigen leek het wel of ik op de rand van een kloof balanceerde. De kloof tussen afleiding en piekeren. Toch voelde ik me sterk. Ik was vastberaden. Keuzes waren vroeger al gemaakt en ik hield me er aan. Kordaat trok ik mijn schoenen aan en stapte ik tot bij hem. Ik zou geen kop thee drinken, ik zou niet binnen gaan, ik zou kort en krachtig mijn mededeling doen.

Weer lag mijn vinger op de deurbel. Geen twijfels nu, pepte ik mezelf op. Ik voelde hoe hart en hoofd vochten. Wil je dit wel? Ben je wel zeker? Vlinders protesteerden in mijn buik. Ik hoorde de bel overgaan. Geen reactie. Zijn auto stond er nochtans. Ik belde nog een keer aan. Weer niets. Zou ik rond zijn huis stappen? Zou hij in de tuin zitten? Nog één keer zou ik proberen en dan was het wel goed geweest. Vreemd genoeg was ik bijna opgelucht… Daar ging mijn vastberadenheid, ze loste op als een verdwaald regendruppeltje op een veel te warme dag.

Nadat ik nog eens lang op de bel gedrukt had, ging de deur plots open. Bijna was ik omgekeerd en weggegaan. Het was uiteraard Bart die opendeed, zijn hemd hing half uit zijn broek, een knoopje teveel was losgeknoopt. ‘Ah, hallo’ zei hij. ‘Ik had je niet euh… verwacht.’ Dit had ik ook niet in mijn scenario’s opgenomen. Had ik hem wakker gemaakt? Wat nu?

‘Bart? Kom je?’ hoorde ik vanuit de woonkamer. Bart keek over zijn schouder om en terug naar mij. Er verscheen weer een zenuwachtig trekje om zijn mond. ‘Bart?’ hoorde ik nog eens. Een vrouw stapte uit de woonkamer. Ze trok snel haar truitje goed toen ze me zag staan en ze giechelde even. Mijn blik ging van hem naar haar en terug. Hij keek me enkel strak aan.

‘Ik kom een andere keer wel eens langs’ zei ik. Vlug draaide ik me om en snelde naar huis. 



woensdag 22 augustus 2012

Bittere drie

(lees eerst 'Bittere thee' en 'Bittere twee' voor je dit leest)


Het was bijna 18u00 toen ik mijn handen aan mijn keukenschort veegde. Ik overschouwde het resultaat van mijn uren in de keuken. Het zag er heel goed uit maar onmiddellijk bekroop mij ook een mierennest van twijfels: had ik niet overdreven? Het was een doordeweekse dag, niets speciaals en ik had een diner bereid dat menig kerstmaal met gemak zou overtreffen… Zouden ze zich hier geen vragen over stellen, zowel Bart als mijn man? Ja, ik wist het zeker, dit was er over. Dit had ik niet mogen doen. De klok tikte verder, over enkele minuten zou de bel gaan en zou Bart binnenstappen. Het was te laat om nog opnieuw te beginnen. Ik haalde mijn schouders op en probeerde mezelf gerust te stellen met het feit dat er niets mis is met een goede, verzorgde maaltijd.

Zoals gewoonlijk had Bart een dure fles wijn mee. Hij gaf ze me, samen met een zoen op mijn wang. Het deed me weer even zinderen. Tot mijn grote verbazing had mijn man een bosje bloemen mee. Dat deed hij anders nooit. Ik kreeg ook van hem een kus. Meteen daarna dook ik weer de keuken in. Helemaal verward.

De kinderen voelden zich geroepen als entertainers en trokken alle aandacht naar zich toe. Ik vond dat prima. Dat gaf mij wat meer ademruimte. Ik controleerde nog even de gedekte tafel, kruidde hier en daar het eten nog wat bij en deed dan mijn keukenschort uit. “Aan tafel!” zei ik. Iedereen ging zitten. Vol verwachting werd er uitgekeken naar wat er in de borden zou belanden. Maar ik keek een beetje ontzet naar de plaats die ze voor mij hadden vrijgehouden: net tegenover Bart. Ik probeerde nog te wisselen, maar ze hadden een goed argument. “Jij moet toch voortdurend opstaan om naar de keuken te gaan, dat plaatsje is het dichtste bij.” Daar kon ik niet tegen op. Ik schepte het voorgerecht uit en nam plaats.

Het was een leuke conversatie. De sfeer zat er goed in. Er werd veel gelachen. Ik probeerde mee te doen en te ontspannen, maar daar slaagde ik niet echt in. Gelukkig was er niemand die het merkte. Ik liep teveel af en aan naar de keuken, hoewel ik daar niet echt veel meer te doen had. Als ik kook, ben ik goed georganiseerd en alle gerechten waren klaar. Het gaf me gewoon wat afleiding. Zo recht tegenover Bart zitten en dan die beelden van mijn droom door mijn hoofd zien flitsen was net wat teveel.

Na het dessert, toen de kinderen in bed zaten, werd er nog een fles wijn opengedaan. Ik zette een kaasschotel op tafel. Kaarsjes brandden en gaven een mooie, warme gloed. Het was een avond om van te genieten en heel langzaam voelde ik me ontspannen. Dat kwam ook omdat Bart niet echt veel aandacht voor me had, maar gewoon ‘gewoon’ deed. Maar toen gebeurde het. Eerst was ik niet echt zeker en dacht ik dat het toeval was. De blik van Bart toen hij zijn voet weer tegen mijn been wreef, maakte me onmiddellijk overduidelijk dat het zeker geen toeval was. Ik onderdrukte de impuls om onder de tafel te duiken en me er van te vergewissen dat het wel degelijk zijn been was. Mijn man zat naast me, dus dat kon niet. En die blik, tja, die blik van Bart, die zei meer dan genoeg.

De rollercoaster trok zichzelf weer in gang. Mijn emoties botsten alle kanten op en hoewel ik dit scenario gedroomd had, besefte ik dat het niet kon. Ik mocht hier niet van genieten. Dit was niet helemaal in orde. Ik vermoed dat mijn benen aanvoelden als beton, zo verkrampte ik. Maar Bart ging onverstoorbaar door. Zachtjes en voorzichtig ging zijn voet langs mijn been. Steeds hoger klom hij, voelde de ronding van mijn knie. Ik hapte onhoorbaar naar adem.

Ik sprong op. Veel te bruusk. Het werd teveel. Ik was zo geschrokken van die hand die plots over mijn been gleed en zich tussen mijn gekruiste benen wou wringen. Het was mijn mans hand. Daar was niets mis mee, maar het leek wel alsof er een ballon in mijn hoofd stuk geprikt werd, heel onverwacht. Door die warme hand, sprong ik op en vluchtte de keuken in. “Wat is er, schat?” vroeg mijn man. Ik schraapte mijn keel en rommelde wat met de vaat. “Oh, niets hoor, ik dacht even dat ik het vuur had laten aanstaan.”

Bart verscheen in de keuken. “Zal ik even helpen met de vaat?” vroeg hij.




woensdag 15 augustus 2012

Bittere twee


Lees, voor je dit leest, eerst 'Bittere thee'.

Ik kon Bart niet uit mijn hoofd zetten, net zo min als dat zinnetje: ‘ik ben morgen ook alleen thuis’. Het hield me bezig, de hele tijd. Het zinnetje tolde en dolde in mijn hoofd en het botste tegen de wanden van mijn geweten. Het maakte putjes in de wanden ervan, maar die herstelden zich wonderwel snel. 

Mijn vinger lag weer op zijn deurbel. Deze keer twijfelde ik niet. Ik drukte vastbesloten op het knopje. De deur ging snel open, het leek wel alsof hij klaar stond en uit beleefdheid een paar seconden gewacht had, met zijn hand geklemd rond de deurknop. Ik zag een vlug, bevestigend knikje en zijn mondhoeken die zich zelfzeker krulden tot een glimlach. Nog voor de deur dicht was, kuste ik hem. Niet zomaar en vluchtig, neen, ik kuste hem hartstochtelijk. 

Hij trok me binnen en met een vlugge armbeweging smeet hij de deur dicht. Mijn kus werd zonder enige twijfel beantwoord. Ik voelde zijn vingers vastberaden op verkenning uitgaan. Mijn handtas gleed op de grond. Het was goed zo. Al kussend belandden we in de grote, ruime zetel. De poes sprong blazend weg. Voor haar was het duidelijk dat het dutje er op zat.

'Eindelijk', zei hij. Hij woelde door mijn haar en fluisterde nog eens in mijn oor: 'Eindelijk!' Ik liet me volledig gaan en genoot intens. Zijn aanrakingen deden mijn huid tintelen. Voorzichtig knoopte hij mijn blouse los. Mijn lichaam trilde en zinderde. Ik vermoedde dat mijn hartslag hoorbaar was tot bij de buren. Hij keek me even vragend aan, maar één blik van mij was genoeg om hem gerust te stellen. Ja, dit was wat ik wou, doe nu alsjeblief verder...

De bel deed ons beiden opschrikken. Het geluid was verschrikkelijk en doorkliefde de woonkamer. We voelden ons alle twee betrapt. Weer duwde er iemand op die bel. Het was blijkbaar dringend. Ik fatsoeneerde mijn haar en begon met het dichtknopen van mijn blouse. Bart deed een poging om het te negeren en ging wat trager, maar koppig door met me te kussen. Toen die rotbel plots non-stop afging was het ook voor hem genoeg geweest. Duidelijk geïrriteerd stond hij op en stapte met grote, brute passen naar de deur. Zijn hemd hing nonchalant uit zijn broek. Nog steeds ging de bel. Ik keek rond, wat moest ik doen? Zou het mijn man zijn? Wat nu? Oh, als die bel nu maar eens ophield. Wat een rotherrie!

Hij trok aan mijn arm. Hij schudde me door elkaar. Ik was helemaal in de war. Wat gebeurde hier toch? Waarom werd ik zo door elkaar geschud? Laat me toch genieten… Dan voelde ik plots een kus op mijn voorhoofd. 

'Wakker worden, lieverd, je wekker gaat al een poosje af, maar je hoort hem blijkbaar niet. Het is tijd om op te staan!' Langzaam drong het tot me door. Ik zette de wekker met een venijnige tik af. Mijn man stapte net de slaapkamer uit. 'Vergeet je niet dat Bart komt eten vanavond? Ik heb hem uitgenodigd. Dat leek me wel gezellig. Tot vanavond!'



woensdag 8 augustus 2012

Bittere thee



Het was weer een fijne avond. We hadden goed gelachen, gegeten en gedronken en de kinderen waren ook braaf geweest. Zo ging het de laatste tijd wel meer. Mijn man en Bart hadden elkaar teruggevonden. Als kind waren het beste vrienden en sinds een tijdje was dat helemaal terug. En tussen ons klikte het ook heel goed. Bart was een toffe, rustige man. Ik had hem bijzonder graag.

Nu was de avond om. Morgen moesten we allemaal weer vroeg op: werk en school. We deden Bart uitgeleide tot aan de voordeur. Hij gaf me een kus en keek me toen doordringend in de ogen. Hij zoog me letterlijk vast met zijn blik. Ik was helemaal in de war. Wat gebeurde er hier? Heel vluchtig greep hij mijn arm en gaf er een kneepje in, nog steeds diep en vooral vragend in mijn ogen kijkend. Mijn man had niets gezien. Even later slokte de donkere nacht hem op. Bart ging naar huis en liet me achter met vele, vele vragen.

Mijn man stak de kinderen in bed, ik ruimde de keuken aan de kant en daarna ploften we in de zetel. Zoals gewoonlijk keken we nog even naar het journaal op TV. Na een paar minuten hoorde ik zacht gesnurk naast me. Ik was ook erg moe, maar slapen lukte me niet. Die blik bleef me achtervolgen. Wat wou hij duidelijk maken? Toch niet… Nee, dat kon toch niet?

De nacht was lang, met veel vragen en geen antwoorden. Elk uur kroop voorbij en ik wist met mijn verwarring geen blijf. Ik vond Bart echt wel ok, aantrekkelijk ook, maar ik had hem tot nu toe alleen maar als een vriend beschouwd, niets meer. Hoe kwam dit toch zo ineens? Wat had ik niet gezien? Ik had niets gemerkt in zijn houding de laatste tijd.

Buiten werd het langzaam licht en ook in mijn hoofd begon het wat op te klaren. Ik dacht aan die kleine, fijne woordspelingen die hij maakte. Ja, je kon ze dubbelzinnig opnemen, maar dat had ik toen niet gedaan. En die laatste fles wijn die hij had meegenomen: ‘Les deux amants’… Ik was stekeblind geweest. Maar ik was nu vooral erg gecharmeerd door zijn verfijnde toenaderingen. Hoe subtiel en voorzichtig en vooral: erg romantisch.

De volgende dag was leuk. Op het werk ging alles goed en ik had weinig tijd om aan Bart te denken. Niet dat ik hem vergeten was, maar het leek me beter om hem even op te bergen in een apart schuifje in mijn hoofd, zodat hij wat uit het zicht was en ik niet teveel moest piekeren. Toen ik thuiskwam, reed hij net voorbij met de auto. Hij toeterde en zwaaide. Mijn hartslag ging de hoogte in, maar ik beheerste me. Ik zwaaide gewoontjes terug en ging naar binnen. De kinderen hadden wat hulp nodig bij het huiswerk, er moest eten op tafel komen en er stond een berg strijk op mij te wachten.

Het bleef een tijdje rustig. Het schuifje in mijn hoofd bleef redelijk goed dicht, hoewel het af en toe wat stroefde. Er gingen enkele dagen voorbij. Mijn hartslag kalmeerde. Het leven ging gewoon voort. Die avond was ik alleen thuis. Ik had net de kinderen in bed gelegd toen de bel ging. Het was Bart. Ik zei hem dat mijn man niet thuis was. Hij vond dat niet erg, zei hij. Ik liet hem binnen. Mijn hand trilde een beetje toen ik de deur achter hem sloot.

We dronken samen een glas wijn. Uit die fles die hij vorige keer meebracht. Mijn dochter stond plots beneden, wakker geworden van zijn stem. Ze bleef bij ons zitten en dat leek me wel het best. Mijn dochter als buffer. Waar was ik toch mee bezig? Nee, ik voelde me niet goed maar ik kon het goed verstoppen. We praatten over koetjes en kalfjes, over muziek, een goede film en we keken samen naar het journaal. Toen dochterlief op mijn schoot in slaap viel, droeg ik ze naar bed. Terug beneden, stond hij met zijn jas aan, aan de voordeur. Hij ging maar eens naar huis. Hij kwam nog wel eens terug, zei hij. Toen hij de deur uitstapte gaf hij nog vlug even mee dat hij overmorgen alleen thuis was, de ganse dag. Weer die doordringende blik… Wat moest ik daar nu mee? Och, help, mijn gevoelens stapten ter plekke in een rollercoaster!

Die nacht nam ik een besluit. Ik zou overmorgen naar hem gaan en het moest maar eens duidelijk worden. Zo kon het niet verder. Ik kon ook niet om die vlinders heen, die ik voelde fladderen. Maar ik zou hem resoluut zeggen dat ik voor mijn gezin koos. Zo zou het gaan. Ja, dat vond ik een goed besluit. De rollercoaster vertraagde en de vlinders zochten een veilig plekje voor de nacht. Ik sliep goed en diep.

Op woensdagavond ging ik zoals gewoonlijk naar de tekenles. Dat zou me zeker afleiden. Ik ging graag, hoewel ik geen groot kunstenaar was. Ik vertrok, kuste de kinderen alvast slaapwel en zei tegen mijn man dat hij niet mocht vergeten de vaatwasmachine aan te zetten. Net toen ik mijn auto in stapte, kwam Bart aan. We zwaaiden weer en ik probeerde zijn blik te lezen. Maar mijn man klopte hem al vriendelijk op de schouder en trok hem binnen. Die twee…

De tekenles viel tegen. Het onderwerp was te moeilijk en ik kon me niet inzetten. Ik was liever thuis geweest. Samen. Na de les ging ik meteen weg, geen glaasje meer op café, maar meteen naar huis. Bart was er niet meer en mijn man en kinderen lagen vredig te slapen. Ik kroop ook in bed. Wat ik voelde was weer een mix: boosheid, ontgoocheling. Ik voelde me tekort gedaan. Maar morgen zou ik naar hem gaan. Morgen zou het uitgepraat worden. Morgen zou alles duidelijk zijn. Morgen.

Mijn hand rustte op het knopje van zijn deurbel. Het leek wel of ik de kracht niet had om het in te duwen. Twijfels, onzekerheid, angst voor wat er komen zou? Zou ik toch niet beter terug weg gaan? Of nee, toch maar doorbijten. Nee, toch maar niet… Ik trok mijn vinger weg van de bel en draaide me om. Op dat moment ging de deur open. Hij was blij me te zien. Hij vond het fijn dat ik eens langskwam. Hij nodigde me uit om binnen te komen. Voor ik het wist was de deur achter me dicht. Ik voelde me verloren. Hij bukte zich naar me toe en kuste me op de wang. Ik draaide mijn hoofd naar hem toe, keek diep in zijn ogen en verwachtte meer. Nu was hij helemaal in de war. Zijn hoofd bleef bij het mijne hangen. Het leek wel of de vraagtekens nu uit zijn ogen popten. Ik hoorde zijn ademhaling. Die werd wat sneller, liep gelijk op met de mijne. Die paar seconden leken wel uren te duren.

Langzaam, heel langzaam rechtte hij zijn rug en ik herpakte me. Hij was nu helemaal in de war. ‘Wil je een kopje thee?’ stamelde hij. Ja, dat wilde ik wel. We gingen aan tafel zitten. Er was een geladen stilte. Wie zou als eerste iets zeggen? Hij? Ik? Ik dronk van mijn thee. Die smaakte bitter. Hij schoof een schoteltje met koekjes dichterbij. We keken elkaar aan. ‘Ik…’ zeiden we samen. En we zwegen weer. Hij lachte. Ik ook. ‘Jij eerst!’ zeiden we weer samen. We lachten weer. De spanning was wat gebroken nu. Ik nam een koekje. Hij schonk wat thee bij.

Ik vertelde, honderduit, misschien wel teveel. Over hoe ik het niet gezien had, hoe graag ik hem had, over keuzes en verbintenissen, over verlangen en vraagtekens, over zoveel dingen dat ik het plots niet meer wist. Hij luisterde. Stil, onbeweeglijk. Zijn blik ankerde zich vast in mijn ogen. Af en toe zag ik een mondhoek zenuwachtig trillen. Zijn handen omklemden zijn kop thee. Af en toe knikte hij, maar het leek er niet op dat hij bevestigde wat ik verwoorde. Toen ik besefte dat ik nu wel mocht stoppen met praten, legde hij zijn handen op tafel. Hij boog zijn hoofd en leek even te zoeken naar zijn woorden.

Hij keek me daarna recht aan. Een lieflijk en charmant glimlachje om de mond. ‘Nu is het mijn beurt’, zei hij. Ik knikte. Hij vertelde me over een avond, enkele maanden geleden. Toen was hij op bezoek geweest en ook toen was mijn man niet thuis. Hij had toen gevraagd of hij van ons een redelijk groot geldbedrag kon lenen. Ik kon er niet meteen op antwoorden, omdat zulke beslissingen niet door mij genomen werden. Het zou om geld gaan uit het bedrijf van mijn man. Even later vielen er onverwacht nog meer vrienden binnen en de wijn en het bier hadden rijkelijk gevloeid. Zijn vraag was ik daarna eigenlijk wat vergeten of ik was er in ieder geval van uitgegaan dat hij ze dan wel rechtstreeks zou stellen aan mijn echtgenoot. Niet dus. Hij durfde niet. Geldkwesties lagen nogal gevoelig. Hij had gehoopt het via een omwegje te doen. Maar ik was dat dus vergeten. Die avond, aan de deur, met die blik en die kus, wou hij me een teken geven: vraag het hem! Toen ik naar de tekenles was, had hij het dan maar zelf gevraagd, hadden ze er uitvoerig over gepraat en afspraken gemaakt. Meer was het niet.

Ik hield mijn adem in. Ongewild kleurden mijn wangen diep donkerrood. Het leek wel of mijn stoel langzaam wegzakte, samen met mij, de grond in. En dat was precies wat ik had willen doen. Verdwijnen. Liefst zo ver mogelijk. Weg van hier. Kon ik de tijd nu maar terugspoelen. Al die woorden van daarnet uitgommen, terug inslikken. Allemaal terug uit de lucht plukken en ze veilig opbergen in een doos. Kon ik er maar voor zorgen dat dit allemaal niet gebeurd was. Had ik die ene avond maar beter geluisterd naar wat hij zei. De vlinders kropen terug in hun cocon. De rollercoaster blokkeerde. Er bengelde een bordje aan: DEFECT.

Hier waren geen woorden meer nodig. Ik stond op. Het lukte me niet om hem aan te kijken. Ik voelde me schuldig, zo verschrikkelijk schuldig tegenover mijn man, mijn kinderen, zelfs tegenover hem. Hoe kon ik toch zo dom geweest zijn? Ik had een loopje genomen met mezelf.

Ik liep naar de deur. Hij stond ook op. Zijn hand nam mijn schouder, zachtjes draaide hij me om. Weer die blik. Hij verankerde zich weer. Hij bukte zich naar me toe, gaf me een kus op mijn wang. Er volgde een lief kneepje in mijn arm. Hij zei vlug in mijn oor: ‘Ik heb je graag. Morgen ben ik ook alleen thuis.’




woensdag 1 augustus 2012

Een vloek en een zucht



“Stomme trut!” riep hij uit. Ik kromp ineen. Als hij zo tekeer ging, was ik bang. Dan wilde ik me zo klein maken dat ik helemaal verdween.

“Verdomme!” vloekte hij en zijn vuist kwam hard neer. Mijn kaken klemden zich op elkaar. Mijn ogen vernauwden zich. Ik wou hier niet meer zijn. Toch wist ik dat het nog even zou doorgaan. Nog minstens een halfuur. Elke minuut was teveel. Maar ik kon niet weg. Ik moest dit ondergaan, of ik dat wou of niet. En ik wou niet.

Voorzichtig keek ik vanuit één ooghoek naar hem. Ik zag hoe zijn ademhaling snel ging, hoe zijn vingers zich strekten en spanden. Een zweetdruppeltje zocht zich een weg over zijn rechterslaap en bleef even hangen in zijn beginnende stoppelbaard. Zijn mond stond open. Geopend voor een nieuwe vloek. Hij was best een knappe man, bedacht ik. Jammer dat hij zo deed soms.

Alsof hij het voelde, draaide hij plots zijn hoofd naar mij. Zijn ogen stonden woest. “Wat?” snauwde hij. Ik schudde voorzichtig met mijn hoofd en waaide met mijn hand. “Niets”, zei ik, “niets.” Ik had al spijt dat ik hem aangekeken had. Elke prikkel was nu teveel. Kon ik maar oplossen, helemaal verdwijnen.

“Nu is het verdorie genoeg geweest!” brulde hij. Hij stak zijn stevig gebalde vuist uit en gromde als een woeste beer. Als ik kon zou ik nog dieper in de zetel weggekropen zijn, maar dat ging niet meer. Ik drukte mezelf zo hard weg dat het bijna pijn deed. Stiekem keek ik toch nog maar eens naar hem. Zijn gebalde vuist ging terug omlaag en verplaatste zich naar de hendel van het autoportier.

Hij zuchtte diep. Met een wilde beweging gooide hij de deur open. Dat deed hij zo hard, dat die bijna meteen weer dichtklapte. Hij stapte uit. Hij stapte terug in. Een geïrriteerde zucht ontsnapte aan zijn lippen. Hij keek me aan. Gelukkig leek hij wat gekalmeerd. Ik zag hoe hij naar mij keek, in de weerspiegeling van het raampje. Geen haar op mijn hoofd dacht er aan om hem rechtstreeks aan te kijken. Ik zag hoe zijn hand weer omhoog ging. Zijn vingers strekte zich en kwamen mijn richting uit.

Ik schrok even op toen zijn hand warm en zacht op mijn bovenbeen terecht kwam. Hij kneep er zachtjes in. Ik keek hem aan. “Sorry, schat”, zei hij, “ik haat files!”




woensdag 25 juli 2012

Taalknobbel


Men spreekt van één lot, en verschillende loten,
Maar ’t meervoud van pot is natuurlijk geen poten.
Zo zegt men ook altijd één vat en twee vaten,
Maar zult u ook zeggen één kat en twee katen?

Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog.
Maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog,
Want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
Maar is dan ‘ik voog’ een vervoeging van vegen?

Wat hoort er bij ‘zoeken’? Jazeker, ik zocht,
En zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht?
Welnee beste mensen, want vlocht komt van vlechten.
En toch is ik ‘hocht’ niet afkomstig van hechten.

En bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep.
En evenmin zegt men bij slopen ‘ik sliep’.
Want sliep moet u weten, dat komt weer van slapen.
Maar fout is natuurlijk ‘ik riep’ bij het rapen.

Want riep komt van roepen. Ik hoop dat u ’t weet
En dat u die kronkels beslist niet vergeet.
Dus kwam ik u roepen, dan zeg ik ‘ik riep’.
Nu denkt u van snoepen, dat wordt dan ‘ik sniep’?

Alweer mis m’n beste, maar u weet beslist,
Dat ried komt van raden, ik denk dat u ’t wist.
Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt bood.
En toch volgt na wieden beslist niet ‘ik wood’.

‘Ik gaf’ hoort bij geven, maar ‘ik laf’ niet bij leven.
Dat is bijna zo dom als ‘ik waf’ hoort bij weven.
Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken.
Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.

’t Is moeilijk, maar weet u: van weten komt wist,
maar hoort bij vergeten nou logisch vergist?
Juist niet zult u zeggen, dat komt van vergissen.
En wat is nu goed? U moet zelf maar beslissen:

Hoort bij slaan nu ik sloeg, ik slig, of ik slond?
Want bij gaan hoort ik ging, niet ik goeg of ik gond.
En noemt u een mannetjesrat nu een rater?
Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater.

(auteur onbekend)