woensdag 28 december 2011

Ze


Ze leven in hun eigen wereld.

Ze hebben bijzondere dromen.

Alles kan. Teveel mag niet.

Ze kunnen een volwassen man doen huilen.

Bejaarden toveren ze een glimlach en een zweem van herinneringen.

Vrouwen gaan voor hen door het vuur.

Eén blik van hen opent een andere wereld.

Ze groeien snel. Te snel. Als een sportauto die 100 km/u haalt in enkele seconden.

Ze maken je ongerust. Ze doen je halsreikend uitkijken of ze al terug zijn.

Ze zijn stout. Ze zijn lief.

Ze draaien je rond hun vinger. Ze doen je schuldig voelen.

Hun liefde is onvoorwaardelijk. Zonder meer. Zomaar. Spontaan.

Je kan ze alleen maar liefhebben. Zomaar.

En koesteren. Hun hele leven lang.























(moeder met kind, Gustav Klimt)




zaterdag 24 december 2011

Prettige feesten

Het was al een paar dagen erg koud. Die avond joeg er ook nog een ijzige wind door het land, waardoor alles nog kouder aanvoelde. Windvlagen joegen de fijne sneeuw op. Bij elke stap die Raymond zette, kraakte het onder zijn voeten. Hij hield van het geluid. Zo dacht hij minder aan zijn doorweekte kousen en bijna bevroren tenen. Zijn schoenen waren helemaal versleten, in één van de zolen zat zelfs een gat.

Heel even keek hij op, vanachter zijn muts en sjaal. Een jongeman kruiste zijn pad, in zijn armen droeg hij enkele mooi verpakte cadeautjes en een fles champagne. ‘Prettige feesten!’ zei de man nog vlug, voor hij een huis binnenstapte. Raymond knikte, zonder iets terug te zeggen. Hij keek door het raam van het huis en zag een feestelijk gedekte tafel. Een schitterende kerstboom zette alles in een zacht, warm licht. Een kleuter zat bij een oudere man op schoot. De jongeman deed zijn jas uit en kuste een oudere vrouw. Een ander kind liep met gespreide armen op de jongeman af. Raymond zag dat het kindje ‘papa’ zei. Raymond knikte nog eens. ‘Prettige feesten’, mompelde hij en hij vervolgde zijn weg.

Raymond liep maar wat rond. Hij moest nergens naar toe. Hij had geen afspraak. Er was niemand die op hem wachtte. Maar toch liep hij rond. Dat deed hij tegen de kou. Als hij in beweging bleef, viel het mee. Het was rustig die avond. Er reden opvallend weinig auto’s, er was bijna niemand op straat. Raymond wist dat dit niet alleen door het barre winterweer was, maar omdat iedereen Kerstmis vierde.

Hij deed zijn best om niet in elke huiskamer binnen te gluren, maar dat was niet gemakkelijk. Hij moest kijken. En dat deed hij dan maar. Het stemde hem niet verdrietig dat hij aan geen enkel van deze taferelen kon deelnemen. Hij was niet verbitterd. Als hij mocht kiezen, dan wist hij het wel. Maar Raymond kon niet kiezen. Hij trok zijn muts nog wat verder over zijn oren en stapte verder.

Over een uurtje zou hij gaan slapen. Hij hoopte dat de wind dan wat ging liggen. Het was koud onder de brug. Hij had wel wat dekens, maar toch waren die niet voldoende. Op zijn weg was Raymond bij een groot flatgebouw aangekomen. Hij voelde aan de deur van de inkomhall. Die was op slot. Hij had er waarschijnlijk toch niet kunnen slapen. Mensen joegen hem weg. Ze wilden geen dakloze in hun inkomhal. Toen viel zijn oog op een grote kartonnen doos die tussen de afvalcontainers stond. Er stond een afbeelding op van een plastic kerstboom. Raymond lachte. Dit kon hij goed gebruiken! De doos was groot genoeg om er tot aan zijn middel in te kruipen. Hij mompelde in zichzelf ‘Prettige feesten!’ en trok de doos naar zich toe.
Wat was dat? Raymond knipperde met zijn ogen. Zag hij dat goed? Er zat een hondje achter de doos. Het keek heel angstig naar Raymond. Raymond wist niet of het hondje bibberde van de kou of uit angst. ‘Wat doe jij daar?’ zei Raymond. Hij lachte omdat hij het gek vond dat hij tegen een hond praatte. Heel rustig stak hij zijn hand uit. Hij maakte sussende geluidjes. Het viel hem op dat het hondje erg mager was.

Raymond wachtte geduldig. Hij wachtte op het moment dat het hondje zijn hand zou besnuffelen. Dan wist hij dat het vertrouwen gewonnen was. Raymond had meteen een zwak voor het beestje. Er waren veel gelijkenissen met hem…

Dan was er dat moment waarop Raymond gehoopt had: het hondje snuffelde voorzichtig en wat wantrouwend aan Raymonds hand. Heel geduldig bleven ze zo zitten. De man hoopte op vertrouwen, de hond wist niet of hij mensen nog kon vertrouwen. Maar deze man was anders. De hond voelde heel wat gelijkenissen. Hij waagde het erop en zette een stap in de richting van Raymond. Dat werd meteen beloond met een zachte, lieve aai op zijn rug. Voor het hondje het goed en wel besefte ging zijn korte staart aan het kwispelen. Het voelde goed. Ook Raymond voelde zich goed. Dit was een mooi moment.

Raymond ging op zijn knieën zitten en deed zijn rugzak open. Hij wist dat hij nog ergens een stuk brood had. Het hondje keek nieuwsgierig naar Raymond. Die haalde het stuk brood te voorschijn en brak er een stukje af. Hij gaf het aan het hondje. ‘Het is niet veel, makker, maar het is alles wat ik heb’, zei Raymond. Het hondje schrokte het gulzig op en vroeg met zijn ogen om meer. Raymond brak zonder aarzelen de rest van het brood in stukjes en voederde het magere straathondje. Toen alles op was, stond Raymond op. Hij zou gaan slapen nu. De wind was gelukkig wat gaan liggen. Die grote doos nam hij mee. Hij aaide het hondje nog eens en nam afscheid.

Raymond stapte glimlachend verder. Momenten als deze verwarmden hem. Hij zou wel wat warmte kunnen gebruiken deze nacht, daar onder de brug van de autosnelweg. Hij luisterde naar zijn krakende voetstappen en keek nog even over zijn schouder. Zou het hondje kou hebben zonder die doos? Raymond bleef staan. Hij voelde zich wat ongemakkelijk. Dan zag hij dat het hondje naast hem stond. Het was met hem meegelopen. Met grote, vragende ogen keek het Raymond aan. ‘Jaja, het is goed’, zei Raymond, ‘je mag blijven!’

Samen stapten ze verder tot aan de brug. Onderweg keek Raymond niet meer binnen in de woonkamers. Hij keek naar het hondje. Onder de brug nestelde Raymond zich in de doos en zijn versleten dekens. Het hondje kwam tegen hem aan liggen. Voorzichtig legde Raymond zijn hand om hem heen. Het hondje gaf hem een lik. Raymond moest er om lachen. Die nacht had hij het niet koud. Raymond had een bijzonder en onbetaalbaar kerstcadeau gekregen. ‘Prettige feesten, vriend!’ zei Raymond voor hij in slaap viel.




woensdag 21 december 2011

A Christmas Story

Het is feest voor iedereen... 
Deze week draai ik de volgorde even om. Vandaag serveer ik je een filmpje en zaterdag een vers schrijfsel.

woensdag 14 december 2011

Assepoester revisited


“Ik kan niet meer voor je zorgen”, zei ze. Ze had alleen nog oog voor de nieuwe baby. Ik had honger en dorst. “Ze zullen je snel komen halen”, zei ze ook nog. Alsof dat me moest troosten. Ik wist niet wat ik moest denken. Iks keek me aan. Emotieloos. Ze bleef kijken. Dat voelde niet goed. Mama had een tijdje geleden gezegd dat ik bijna naar de kleuterklas mocht. Gaan ze me daarom komen halen? Ik s draaide zich om. Ze moest de badkamer nog poetsen. Als ze er niet meteen aan begon zou mama heel boos worden. En dat deed meestal pijn. Iks schudde haar hoofd toen ze de trap opging. Ze keek nog eens om.

“Mama, wie komt me halen?”, vroeg ik. Ze duwde me weg. “Laat me gerust, ik moet voor de baby zorgen”, zei ze nors. Ik herkende haar niet meer. Sinds Baby er was, keek ze niet meer naar me om. Ik was enkel nog goed om afgesnauwd te worden.

Misschien wist Iks wel wat er aan de hand was. Ik ging naar de badkamer. Iks huilde en keek me nu niet meer aan. “Wie komt me halen, Iks?” Ze haalde haar schouders op en veegde een traan af aan haar mouw. “Mag ik nu naar school, Iks?”, vroeg ik. Ze stopte met poetsen en keek me met een harde blik aan.

“Je mag wel naar school, maar nu nog niet”, zei ze. “Komen ze me daarom halen? Wanneer? Wie?” Iks legde het poetsgerief aan de kant. “Ik wou dat ze mij ook kwamen halen”, zei ze. Meer tranen bengelden over haar wangen. Ik liep op haar af en wou haar troosten. Ze hield me op een afstand. “Wil jij ook graag naar school, Iks?”, vroeg ik. “Gaan we dan samen? Ben je dan terug blij?”

“Ze komen je snel halen en dan zien we elkaar nooit meer”, zei Iks. Beneden begon de baby te huilen. Ik hoorde mama sussende woordjes zeggen. “Wie komt me halen, Iks?”, vroeg ik nog eens. “Dat weet ik niet”, zei Iks, “maar zo gaat het altijd. Als mama een nieuwe baby krijgt, moet je weg. Ze wil je niet meer. Mama wil alleen maar baby’s.” Ik keek haar aan, begreep het niet. “Maar waar moet ik dan naar toe, Iks?” Ze pulkte aan het etiketje van de poetsdoek. “Ik weet het niet”, zei ze. “Als ze een kind komen halen, moet ik naar de kelder en moet ik heel stil zijn, anders krijg ik straf. En dat doet pijn. Als ik uit de kelder mag, is het kind weg en is mama dolgelukkig. Ze heeft dan tijd voor de baby. Meestal verhuizen we even later dan ook.”

Wat zei Iks daar toch allemaal? Welke kindjes waren weg? Ik begreep er niets van. “En jij blijft wel bij mama?”, vroeg ik. “Ik was de eerste”, zei ze. “Ik moet poetsen en eten maken. Kwamen ze mij ook maar halen. Het kan me niet schelen waar ze me naar toe brengen. Ik wil hier weg.” Ze liet haar schouders nog dieper zakken terwijl ze zuchtte. Daarna begon ze onbedaarlijk te huilen. Heel voorzichtig legde ik mijn hand op haar arm. Haar hele lijf schokte.

Ik begreep haar woorden niet, maar haar verdriet begreep ik wel. Ik mocht haar knuffelen. Dat voelde zo goed. Mama had dat al lang niet meer gedaan. Iks deed dat nooit. Behalve nu. De baby was stil. Ineens was er die overweldigende stilte. Iks keek me aan. “Ik wil hier weg”, smeekte ze.

Toen galmde er telefoongerinkel door het huis. Iks haar adem stokte. Haar vingers klemden zich om mijn dunne arm. Het deed pijn. Even later riep mama: “Iks, maak dat je in de kelder zit. Ze komen!”



woensdag 7 december 2011

Vleugje



Daar stond ik dan. Tot een minuutje daarvoor was ik heel vrolijk. Een beetje uitgelaten zelfs. Eindelijk was er nog eens een feestje. Geen saai, stijf gedoe, maar gewoon een leuk feestje met goede vrienden. Dat was erg lang geleden. Ik had er de hele dag al naar uitgekeken. Tegen de avond aan nam ik een bad, koos zorgvuldig mijn kleren uit en deed wat ik nog moest doen: een beetje make-up, een leuk halssnoer en bijpassende oorringen. Ik genoot. Er ontbrak nog één ding: een vleugje parfum. Ook dat was lang geleden. Ik opende het kastje, nam een flesje en rook er aan. De geur paste niet bij mijn stemming, dus ik ging op zoek naar een ander geurtje. In een hoekje stond nog een flesje. Ik nam het vast. Allerlei gevoelens overvielen me. Alleen dat flesje en ik waren nog aanwezig. De wereld rondom me bestond even niet meer. Langzaamaan druppelden er beelden binnen in mijn cocon.

Beelden van meer dan twintig jaar geleden. Mooie beelden. Met veel vrolijkheid en warmte. Ik zag hem nog zo naast me lopen. Een grote, slungelachtige man van bijna twee meter. Hij had een baard, waar altijd een mysterieuze glimlach in schuilde. De twinkels in zijn ogen doofden nooit. Althans dat dacht ik toen.

Hij stond regelmatig zomaar aan mijn deur. Dat deed hij wel vaker. Soms bleef hij dan uren praten, in de zomer had hij vaak een boeketje veldbloemen geplukt, gaf hij ze af in de deur en ging weer weg, al zwaaiend. Af en toe had hij een leuk boek gevonden op de boekenmarkt en vond hij dat ik het moest lezen. Maar toen, die dag, had hij mijn hulp nodig. Hij was verliefd. Niet op mij. Op een mooie, bijzondere vrouw. Hij wist niet hoe het verder moest. Zij voelde ook wel wat voor hem, maar ze twijfelde. Hij wou haar zo graag over die streep trekken, maar wist niet hoe. Zijn eerste idee was om haar een cadeautje te geven. Het zou een flesje parfum worden. Ik probeerde hem niet op andere gedachten te brengen, wat ik er ook van vond. Ik zou hem helpen. Het werd een flesje parfum.

Ik trok mijn jas aan en arm in arm trokken we naar de stad. Hij wist precies in welke winkel hij zijn keuze zou maken. De verkoopster begroette ons hartelijk. Ze dacht dat we een koppeltje waren en genoot van hoe we giechelden en praatten. Hij vroeg mijn raad: welke geur, het merk, de vorm van het flesje… Ik gaf mijn eerlijke mening en hij selecteerde verder. ‘Dit wordt het!’ zei hij. Triomfantelijk hield hij het flesje omhoog. ‘Het is mooi, sober, sterk en het heeft karakter. Net zoals zij!’ zei hij en ik kreeg prompt een klinkende zoen op mijn wang. Als twee pubers gingen we naar de kassa. Hij zei tegen de verkoopster:’ doe er maar twee. Alletwee in cadeauverpakking, graag.’

Toen we buitenkwamen begon het te sneeuwen. Ik vond het heerlijk. Hij genoot omdat de sneeuwvlokjes me zo beroerden. Een paar honderd meter verder trok ik hem een brasserie in. Een tasje thee was welkom. Daar gaf hij me het andere flesje parfum. ‘Voor jou’ zei hij, ‘gewoon omdat je  lief bent.’ Hij kon me altijd zo verrassen. Ik gaf hem een zoen en het koekje dat ik bij mijn thee gekregen had. Hij staarde naar buiten en ik wist dat hij nadacht over hoe hij het andere flesje zou geven aan de vrouw van zijn leven.  Ik staarde mee en hoopte van uit de grond van mijn hart dat zijn liefde vlug beantwoord werd.

Het was een mooie tijd. Zo eenvoudig. Genieten ging vanzelf. Het leek allemaal al zo lang geleden. Ver weg, een ander leven. Nu had ik dat flesje terug vast. Hij was een jaar of tien geleden gestorven. Een beetje eenzaam. Zijn onbeantwoorde liefde had hem verbitterd en hij veranderde langzaam in een zonderlinge, trieste man. Hoewel ik nog pogingen ondernam, verwaterde onze vriendschap. Hij kwam niet meer langs met een boek of een bundeltje madeliefjes. Het lukte me ook niet meer om hem nog mee te krijgen naar de stad. Jaren gingen voorbij toen ik toevallig zijn doodsbericht in de krant las. Het raakte me. En ik had spijt dat ik hem niet meer gezien had. Maar ik was hem al jaren daarvoor kwijtgeraakt.

Het feestje begon over een uur. Ik draaide het flesje rond en rond. Eventjes hield ik het dicht tegen me aan, alsof hij het zou voelen. Het deed deugd. Langzaam bracht ik het flesje naar mijn neus. Ja, die geur was het. Dat zocht ik. Alsof het een ritueel was zette ik mijn wijsvinger op het dopje en spoot een fijn straaltje parfum in mijn nek. Het was het laatste druppeltje. Het flesje was nu leeg.





woensdag 30 november 2011

Dromen zijn bedrog




Het is jammer. Erg jammer zelfs. Maar tijden veranderen nu eenmaal. Zoals je het wel vaker hoort moet een mens meegaan met zijn tijd. Je moet flexibel zijn, je aanpassen aan de immer veranderende maatschappij. Dat geldt ook voor de Sint. En weet je wat? Het kan hem geen donder schelen. Het laat hem allemaal stoïcijns koud. Hoe dat zo kwam? Wel, zet je even hier naast mij. Ik zal het je vertellen….
Toen het november werd, viel het de Sint op dat het lang duurde voor het eerste briefje kwam. Een briefje, in onwennig handschrift met veel beloftes van braaf zijn en zus niet meer plagen enzovoort. Een briefje waarin om snoep en speelgoed gevraagd werd. Een briefje waar prentjes bijzaten, of een foto. Een briefje van een jongen of een meisje. Maar dat briefje kwam niet. En november was bijna voorbij. Sint besloot dat hij zijn Opperpiet om raad zou vragen. Hij zou op onderzoek moeten uitgaan. Opperpiet was echter nergens te vinden. Op de keukentafel lag wel een briefje:




Nu weet je waarom het Sint geen moer kan schelen dat er geen briefje kwam. Het was goed geweest zo. Voor hem hoefde het niet meer. Hij plofte in zijn luie zetel, zette de tv op en zapte van zender naar zender. Na vijf minuten dommelde hij in. Hij droomde van een nieuwe organisatie, eentje waarbij de ouders zelf instonden voor de cadeautjes op 6 december. Zo eentje waarbij hij rustig in zijn luie zetel kon blijven zitten en gewoon zichzelf zijn, een heerlijke droom…

Nog een Sinterklaasverhaal? Lees 'Lieve Sinterklaas' (klik)

woensdag 23 november 2011

Pareltjes (deel 7)

- kernkramp
- schroothondje
- boefsmid
- irritatieslang
- schooldel
- verlengpraat
- verkeersminder
- huiskoudkunde
- hoofddrolspelers


- dubbelhanger
- zuchtverkeer
- grootwarenluis
- zwaartepracht
- kleermakershit
- aardmoppervlak
- bovenwenselijke prestaties
- beschermbengel
- een stoere vink
- een schetenwapper
- een bontje kloter


Wil je nog pareltjes? Klik hieronder: 



woensdag 16 november 2011

Trekje


’s Nachts doolt hij rond op de kraamafdeling. Elke nacht kiest hij een ander ziekenhuis uit. Hij kent ze allemaal op zijn duimpje. Elke kamer, elke hoek, elke gang staat in zijn geheugen gegrift. Hij volgt een strak schema zodat hij geen enkel ziekenhuis overslaat. Als hij ze allemaal afgewerkt heeft, begint hij gewoon terug bovenaan het lijstje.

Je zal hem niet gezien hebben. Hij is nog nooit door iemand opgemerkt. Maar hij is er wel. Elke nacht. Als het donker is en de verpleging met een minimum aan personeel de nacht in gaat, wordt hij actief. Hij sluipt door de gangen, luistert aandachtig aan elke deur. Als hij een boreling hoort huilen, gaat hij naar de volgende kamer. Enkel daar waar het helemaal stil is, glipt hij binnen. Behoedzaam opent hij de deur, wacht even af en luistert naar de ademhaling van de slapende mama. Hij schat in hoe diep ze slaapt. Enkel als hij heel zeker is, waagt hij zich verder. Hij heeft geduld. Veel geduld.

Als mama en kind slapen, doet hij zijn werk. Hij kijkt. Hij kijkt heel aandachtig en heel lang. Hij bestudeert zeer zorgvuldig haar gelaatstrekken. Haar voorhoofd, de stand van haar jukbeenderen, haar wenkbrauwen, de golving in haar neus, maar ook haar vingers, haar volledige gestalte neemt hij in zich op. Dat doet hij niet overhaast. Nee, zo is hij niet. Het moet goed zijn. Heel precies. Zoals hij daar staat, aan het bed van een pas bevallen vrouw, lijkt het wel of hij mediteert.

Tijdens zijn observatie spitst hij zijn oren. Elk geluid is belangrijk. Niemand mag hem zien. Als hij elk trekje van de moeder in zich heeft opgenomen, is het de beurt aan de baby. Die ondergaat het zelfde ritueel. Hij kijkt, trekt elke gelaatstrek over in zijn geheugen. Geen detail ontgaat hem.

Daarna verlaat hij geruisloos de kamer. Als het rustig is, kan hij een kamer of vijf doen op een nacht. Dan trekt hij zich even terug. Daarvoor heeft hij in elk ziekenhuis wel een plekje. In zijn hoofd maakt hij nu een moeilijke puzzel: welke gelaatstrekken passen bij elkaar? Welke zeker niet? Soms komt hij er niet uit, dan worden die baby en mama geschrapt van zijn lijstje. Soms is het voor hem meteen duidelijk en duurt het geen half uur voor hij met zijn denkoefening klaar is.

Hij heeft gewikt en gewogen. Nu gaat hij over tot de daad. Nog stiller en nog meer onzichtbaar dan daarvoor neemt hij een baby weg uit een kamer. Een laatste zorgvuldige blik en hij is weg. Zonder dat iemand het merkt legt hij het kind in een andere kamer, bij een andere mama. Kleertjes worden verwisseld, naambandjes ook. Zo gaat hij verder. Hij is pas tevreden als alle baby’s naar zijn gevoel op de juiste plaats liggen. Aan het eind van de nacht verdwijnt hij. Naar waar? Niemand weet het. Niemand weet wie hij is. Niemand heeft iets gemerkt.

Je vraagt je af waarom hij dat doet. Dat is normaal. Je zal er geen antwoord op krijgen. Hij weet het niet. Het is een drang. Hij moet het doen. Het is zijn taak. Elke nacht opnieuw.

Misschien heb je het zelf ook al eens gemerkt toen je naar jouw kind keek: zag je een trekje dat je totaal niet herkende, waarvan je niet wist van wie je kind dat nu had? Of misschien heeft je dochter je al eens gevraagd of je wel haar echte mama bent? Herinner je je dat koppel dat zich afvroeg op wie je zoon nu eigenlijk het meeste leek? Ze kwamen er niet uit. Je lachte het wat weg toen. Dat zal je voortaan niet meer doen. Je zal dan denken aan die man, die quasi onzichtbaar door de gangen sluipt…


woensdag 9 november 2011

Residentie


Het smalle steegje stonk zoals gewoonlijk naar urine. Hier en daar moest ik slalommen tussen platgelopen hondendrollen. De zon was al een tijdje onder. Ik zag enkele kinderen haasje-over doen over de paaltjes die het voetpad van de straat scheidden. Het maakte me niet vrolijk. Het enige dat ik erbij kon bedenken was dat hun broeken vol hondenpis zouden hangen. Ik stapte verder en stak een donkere, verlaten straat over. In de verte kon ik de zee al zien. Restaurants en cafés popten op, elk stukje van de straat was hier plots verlicht. Mensen keken loom en ongeïnteresseerd van achter hun dessertbord naar buiten. Ze wachtten gelaten op hun rekening en wisten nu al dat het teveel zou zijn voor wat ze gekregen hadden.

De dijk was weer veranderd. Als kind kende ik hier elk winkeltje, wist ik waar je de beste touwtjes voor je windvlieger kon krijgen, waar je vlug even achterin mocht glippen om naar het toilet te gaan. Een stuk of zeven grote flatgebouwen stonden er toen.Zovele jaren later liep ik de hele bebouwde strook af. Ik telde zelfs geen zeven authentieke huisjes meer. Ze waren gesloopt, verdrongen, zodat er zoveel mogelijk mensen op zo weinig mogelijk plaats konden genieten van zicht op zee. Er was nog één huisje, helemaal vervallen, het leek gelaten zijn lot af te wachten. Binnenkort zou het ook door een immobiliënkantoor weggeplukt worden.

Het weer was zacht en de lucht rook wat ziltig. Ik liep verder, voorbij de flatgebouwen met klinkende namen: residentie Astrid, residentie Dahlia, Duynepanne, Terlinck, Tennis, Mara, Royale en ga zo maar door. Helemaal aan het einde van dit toeristenstuk wist ik een authentiek café, geen gedoe, niets speciaals. Precies wat ik zocht. Er stond een terrasje buiten voor de rokers. Ik plofte me neer op een stoel en bestelde een thee. Enkele tientallen meters verder zag ik hoe de meeste mensen halt hielden en de terugweg aanvatten: hun dagelijkse flaneersessie eindigde daar waar de winkels stopten. In gedachten overliep ik mijn dag…


Ik had gezien hoe kinderen zwoegden omdat ze zo graag een gocart wilden waarin ze een ijsjesventer konden spelen. Ze hadden er nooit bij stilgestaan dat zo een ding log, zwaar en onhandelbaar was. Geen haar op hun hoofd dacht er aan om dit toe te geven, dus ze zwoegden dapper voort.  Af en toe had ik opzij moeten springen omdat het hele gezin even gepermitteerd uit de bol ging in zo een gocart. Luid bellend en gillend, alsof ze ervan uitgingen dat iedereen rondom hen het even leuk vond. Vol afgrijzen had ik gekeken naar het lelijke witte paard met roze manen dat op de voorkant van hun kar prijkte.

Mijn oog viel ook op de vele schoothondjes, met een doosje aan hun halsband. Er zaten zakjes in om hun drollen in te doen. De vreselijk opgetutte dame had dat netjes gedaan en zat nu met een uitgestrekte pink en een vies gezicht moeite te doen om het zakje door het rooster van een riool te duwen. Ze negeerde alle misprijzende blikken. Achter haar rug plaste het hondje tegen een betonblok. Toen ze opstond en zich omdraaide zette ze haar lederen laars recht in een pakje van een andere viervoeter…

Ik had gezien hoe een jongen dolblij het strand opliep. Hij ging zijn vlieger de lucht in laten. Zijn moeder hielp hem, een beetje verveeld liet ze de vlieger los. Het kind had de grootste moeite om de windvlieger de lucht in te krijgen. Toen dat eindelijk gelukt was, lukte het maar niet om het koppig ding in de lucht te houden. Zijn moeders houding was duidelijk: ze zou hier echt niet langer blijven staan om dat rotding nog eens omhoog te gooien. De vlieger belandde met een doffe klap in het mulle zand. De jongen liep er naar toe en zag dat de touwtjes hopeloos in de knoop zaten. Hij gooide zijn spoel met touw er boos bovenop en vloekte. Zijn moeder draaide zich om en draaide met haar ogen.

Op het strand herhaalde zich de traditionele taferelen, zoals altijd: kleine, vrolijk gekleurde emmertjes werden naarstig gevuld met schelpjes. Het één al mooier dan het ander. Elke schelp was een schat en moest uitvoerig bekeken worden voor het in het emmertje gelegd werd. Nog voor het tussen de andere schelpjes verdween, werden er al andere en vooral nog mooiere schelpjes gevonden, in zee gespoeld, gekeurd en goed bevonden. Ouders keken naar hun kroost en vroegen zich af waar de lading schelpen van de vorige vakantie gebleven was en wat er met deze zou gebeuren…

Ik had gezien hoe grootvaders helemaal opgingen in het bouwen van het zandkasteel waarom hun kleinkind gevraagd had. Dat kind zou tevreden geweest zijn met een uitgegraven geultje en één omgekieperd emmertje zand, daar bovenop een aantal schelpjes en een veer van een meeuw. Maar opa zag het groter: een gigantische berg zand, een echte slotgracht, verstevigde wallen rondom en verschillende kantelen waren zijn idee van een zandkasteel. Het kind had al lang zijn interesse verloren en zeurde bij oma om een ijsje. Oma probeerde de gulden middenweg te vinden door wat schelpjes in de kantelen te duwen, in de hoop het kind af te leiden. Even later stond opa te triomferen op zijn kasteel en zag oma dat het water van de zee nooit dicht genoeg zou komen om zijn grachtjes ook maar een beetje te vullen. Het kind veegde ontgoocheld een snottebel af aan de mouw van zijn jas. Opa zette zijn handen in zijn zij en strekte zijn stramme rug.

Zo had ik nog veel meer dingen gezien, dingen waarover ik me ergerde, die me deden lachen, die me ontroerden of me deden terugdenken aan mijn kindertijd aan zee. De dijk liep leeg. Ongetwijfeld zat men nu voor tv, aan de vele verlichte vierkantjes in de flatgebouwen te zien. Mijn kannetje thee was op en ik besloot terug te gaan. Onmiddellijk besefte ik dat ik weer door dat stinkend steegje moest. Het deed me rillen, maar dat kon ook door het frisse briesje zijn dat opkwam vanuit zee. Ik zou mijn weerzin voor mijn terugweg door het steegje verdrijven met de mooie beelden die ik vandaag in me opgezogen had: de mooie kleur van de zee toen de zon onderging en de wolken die wel door Oskar Kokoschka geschilderd leken. De aalscholver die eenzaam rustte op een paal in zee… Eén ding wist ik zeker: morgen zou dit alles zich herhalen en er zou nooit een residentie mijn naam dragen.



zondag 6 november 2011

woensdag 2 november 2011

Geen woorden maar daden!



Iedereen praat erover. 
Ik hoor het elke dag. 
Toch weet niemand wat het is, waar het is, hoe het eruit ziet, … 

Misschien weet jij het wel? Waar ik het over heb? Wel, ik lijst het even op:

-          Mijn kluts, die ben ik kwijt. Maar hoe kan ik die zoeken als ik niet weet hoe die eruit ziet?
-          Mijn lauweren, daar zou ik op moeten rusten. Geen idee hoe dat moet…
-          Mijn hukken, kan jij die even aanwijzen?
-          Mijn mars, daar zou ik heel wat moeten in hebben. Maar hoe krijg ik dat daarin?
-      Mijn nopjes, daar ben ik dan af en toe wel in. Vraag me niet hoe ik daar in geraak. Laat staan er terug uit…
-          Mijn lotsbestemming, daar kan ik me ook bitter weinig bij voorstellen.


En wat met deze?

-          In petto, af en toe heb je dat blijkbaar. Jij ook?
-          Geen snars, dat gaat samen met begrijpen. Toch begrijp ik het niet zo goed.
-          De loef, die moet je soms afsteken. Met een vuurpijl dan maar?
-          Een buitenbeentje, normaal heb ik twee benen, hoe kan dat dan?
-          Te grazen, dat neem je iemand. Ik kan het hoor, maar hoe precies…
-          Een loer, dat moet je draaien. Eerst naar links en dan naar rechts? Geen idee…
-          Het nippertje, daar hoort altijd ‘op’ bij. Moeilijk toch!
-          De penarie. Daar zit je liever niet in…
-          Prat, daar ga je op. Neem dus best je laddertje mee!
-          De luren, daar word je ingelegd. Zou dat zacht zijn?
-          Geen jota, klinkt wat exotisch,vind je niet?
-          Sikkepit, heeft met begrijpen te maken, maar ik begrijp het niet.


Woorden zijn toch wonderbaarlijk...




woensdag 26 oktober 2011

Ghost writer

Floor trok voor de laatste keer de deur van het klaslokaal dicht. De schrijfcursus was afgelopen. Haar verhaal was goed ontvangen. Ze was tevreden. Haar bescheiden vermoeden dat ze schrijftalent had, was bevestigd door de lesgever. Op wolkjes liep ze naar huis. In haar hoofd zaten wel honderd verhalen, te popelen om op papier gezet te worden. Dat was nu precies wat ze ging doen. Schrijven. Alles wat in haar fantasie al een tijdje borrelde, zou ze opschrijven. Haar medestudenten hadden erop aangedrongen dat ze haar verhalen zou publiceren op een website. Dat was een goed idee. Samen hadden ze wat mogelijkheden overlopen. Het zou ‘Flogger’ worden. Dat was erg gebruiksvriendelijk en Floor vond het vooral leuk dat ze zelf de lay-out wat kon aanpassen.

Nog voor ze thuis was had ze al een naam gevonden voor haar webstekje: ‘Floors SchrijfFoor’. Klonk goed, vond ze. Thuisgekomen vloog haar jas en handtas over een stoel en zette ze haar laptop aan. Vijf minuten later was ze bezig aan een nieuw verhaal. Het ging goed. De woorden kwamen vanzelf. Zonder enige inspanning stroomden de zinnen als een vloedgolf op haar computerscherm. ’s Avonds had ze drie verhalen geschreven. Ze glimlachte omdat ze merkte dat ze helemaal vergeten was om te eten.

Ze dwong zichzelf om toch wat structuur in haar dagen te houden. Dat lukte. Ontbijt, middagmaal en avondeten kregen een vast uur. De uren daartussen vulde ze op met schrijven. Ze was gelukkig. Dit had ze altijd al willen doen. Aan haar eerste werkdag wou ze nog niet denken. Dat duurde nog wel even. Ondertussen schreef ze lustig voort. Ze schatte dat ze nu een vijftigtal verhalen had geschreven. Qua stijl waren ze erg gevarieerd: romantisch, melancholisch, spannend, … Ze probeerde elke stijl uit en was blij met die eindeloze inspiratie.

Op een morgen opende ze haar brievenbus en vond ze haar ontslagbrief. Haar vakantie werd onverwacht wel enorm verlengd. De economische crisis was de boosdoener, volgens de erg korte en saaie brief. Ze haalde haar schouders op. Ze zou het werk niet missen. Misschien was dit wel haar kans om eindelijk eens werk te zoeken dat ze graag deed. Of zou ze het lef hebben om met haar verhalen naar enkele uitgevers te stappen? Ze nam een tas koffie en schreef verder.

Het werd tijd om aan haar site te beginnen. Hoe zou ze dat aanpakken? Alle verhalen in één keer publiceren? Zou ze dat anoniem doen zodat alles wat mysterieus bleef of net heel open? Ze had nog heel wat vragen. De rest van de dag surfte ze alle mogelijke sites af om te zien hoe anderen dat deden. Aan het eind van de dag had ze haar besluit genomen. Ze zou elke week één verhaal publiceren. Aan dat tempo had ze genoeg leesvoer om meer dan een jaar te publiceren. Het handige was dat Flogger de mogelijkheid gaf om alles vooraf te programmeren.

Ze was een tijdje zoet met haar verhalen te knippen en te plakken. In haar agenda schreef ze op elke woensdag de titel van het verhaal dat zou gepubliceerd worden. Het gaf haar een gerust gevoel. Floor hoopte vurig dat ze lezers zou vinden. Maar daar had ze ook iets op gevonden: netwerksites kunnen wonderen doen!

Al vlug vond ‘Floors SchrijfFoor’ de weg naar gretige lezers. Haar site werd doorgegeven aan vrienden, kennissen, onbekenden. Voor ze het wist had ze een vast lezerspubliek, dat nieuwsgierig haar volgend verhaal afwachtte. Tussendoor schreef ze zich in voor een wedstrijd waarbij het beste verhaal zou winnen. De dagen kwamen en gingen. Floor schreef verder. Haar verhalen publiceerden zichzelf op een vast tijdstip.

Die avond had ze hoofdpijn. Stekende hoofdpijn. Het maakte haar misselijk en draaierig. Na een uur was de pijn niet te harden. Ze had geen idee wat ze ermee moest doen. Het leek wel alsof ze niet in staat was om er tegen te vechten. Dan gebeurde het. Een priemende pijn, alsof er met zelfzekere hand een dikke naald in haar schedel gestoken werd, trof haar. Ze viel op de grond. Het duurde niet lang. Een bloedklonter beëindigde haar leven. Plots, onverwacht. Het schijnsel van haar laptop scheen een diffuus licht op haar roerloze lichaam.

‘Floors SchrijfFoor’ groeide ondertussen verder en werd steeds succesvoller. Niemand van haar lezers kon vermoeden dat de auteur eenzaam, maar vooral dood, in haar appartementje lag. Er was in het echte leven niemand die haar miste. Haar vast publiek dacht regelmatig na over de persoon Floor. Hoe zou ze eruit zien? Waar zou ze wonen? Wisten zij veel dat een machine elke week haar verhaal op het wereldwijde web plaatste…

Een jaar later bleef het mailtje van de schrijfwedstrijd onbeantwoord. Ze had gewonnen. Haar verhaal zou gepubliceerd worden in een echt boek, bij een grote uitgeverij. Maar Floor antwoordde niet. Zelfs niet na de derde mail. Heel wat mails gingen rond: wie kent Floor? Wie kan haar bereiken? Haar fans kwamen in actie. Na een tijdje vonden ze iemand die wist waar ze woonde.

Met een grote bos bloemen in de hand, een mooi versierde omslag en een geoefende glimlach stond de vrouw voor Floors appartementje. Ze kreeg geen gehoor. Haar oog viel op de brievenbus, die uitpuilde van de brieven. Vreemd was dat! Ze nam er een brief uit. Die dateerde van een jaar geleden. Hier klopte iets niet… Ze belde de politie en legde het verhaal uit. Even later werd Floor gevonden. De vrouw ging geschokt naar huis. Wat nu? Hoe moest dit nu verder?

Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje. Mensen waren verward, ontdaan. De dood van iemand die ze niet echt kenden, had hen toch diep geraakt. Door haar verhalen leek het wel alsof Floor een echte vriendin was. Op haar profiel op Facebook werden berichtjes van medeleven geplaatst. Het werd een mini-altaar van medeleven. Op haar prikbord vond men nog een berichtje terug, dat ze een voorraad verhalen had tot 1 november 2011. Dat was vorige week…

Niemand wist hoe het kwam. Niemand begreep het. Ook na 1 november 2011 bleven de verhalen komen. Elke week opnieuw. In haar schrijfstijl. Met haar naam onder. ‘Floors SchrijfFoor’ ging voort. Eindeloos. 


woensdag 19 oktober 2011

Mobinet





Iedereen had het. Het leek wel of ik de enige was die nog niet overgeschakeld was op digitale tv. Nu had ik een nieuwe laptop en leek het me een goed idee om zo een hippe bundel aan te vragen. Je weet wel: telefoon, tv en internet en dat tegen een superprijs. Eén telefoontje was genoeg. Ik koos voor Mobinet. Dat was toch een grote naam en die leken me betrouwbaar. De vriendelijke dame aan de andere kant van de lijn maakte een afspraak. Volgende maandag zou er iemand langskomen en al het nodige doen zodat ik goedkoper, sneller en vooral hipper kon tv kijken, bellen en internetten. Ik keek er naar uit.

Maandag kwam de man langs. Het was een echte professional. Het duurde geen half uur of alles was in orde. Hij zapte vliegensvlug op tv, van de ene post naar de andere. Ik keek mijn ogen uit, want er waren blijkbaar wel wat leuke zenders bijgekomen. Hij vroeg of ik even de telefoon wou testen. Ik wist niet goed hoe ik dat moest doen. Moest ik iemand bellen? Nee, gewoon luisteren of er een kiestoon was. Ook mijn laptop werd opgezet. De startpagina opende razendsnel. Ik was erg gelukkig. De man vertrok. Ik zwaaide hem zelfs na.

De volgende dag zette ik mijn laptop op. Klaar voor een dagje surfen. Het leek me zalig, nu dat zo snel ging. Maar wat was dat? Vreemd? De startpagina opende niet. In de plaats daarvan zag ik een saaie, witte pagina, waar op stond: kan geen verbinding maken met het internet. Wat nu? Ik probeerde van alles: de laptop ging uit en terug op, ik zocht dat kleine knopje dat zo goed verstopt zit en controleerde of er bij ‘wireless’ wel ‘aan’ stond. Alles klopte. Maar toch was er geen internet.

Wat een domper! Op tafel zag ik het kaartje liggen van de man die gisteren alles installeerde. Er stond een telefoonnummer bij. Klantendienst: 0750/123123. Dat leek me een goed idee. Ik nam de telefoon. Vreemd, die werkte wel! Eerst nog even de tv checken. Die deed het ook. Alleen dat internet ging dus niet. Ik toetste de nummers in. Deze keer kreeg ik geen vriendelijke dame aan de lijn. De stem was wel van een dame, maar het was geen echte.

                            

 *Zucht!*

woensdag 12 oktober 2011

Net als ik


Dertig jaar was ik. Een gezonde, jonge man en gelukkig getrouwd. Mijn werk nam me volledig in beslag. Ik voelde me belangrijk. Mijn zoon werd geboren, op de normale manier, zoals dat meestal gaat. Op dat moment zat ik in een vliegtuig, op weg naar die belangrijke meeting met een belangrijke partner in verband met een belangrijk contract. Mijn vrouw vertelde me het goede nieuws, net nadat het contract ondertekend was. Het maakte me blij.

De ene zakenreis na de andere volgde. Ik leefde in hotelkamers en bracht het grootste deel van de dag door in vergaderzalen of in chique restaurants. Voor ik het wist kon mijn zoon praten. Af en toe belde mijn vrouw me op en dan hoorde ik zijn fijne stemmetje. Het ontroerde me. Hij zei dan soms: ‘papa, later als ik groot ben, word ik net als jou!’

Het leven ging voort. Altijd maar voort. Af en toe hield ik even halt, als mijn zoon me vroeg: ‘papa, wanneer kom je nog eens naar huis?’ Ik moest hem vaak het antwoord schuldig blijven. Meestal wist ik het zelf niet. ‘Als ik terug thuis ben, jongen, dan gaan we iets leuk doen’, zei ik dan. Ik wist dat hij tevreden knikte aan de andere kant van de lijn.

Hij werd tien jaar. Een grote jongen al. Het was één van de zeldzame momenten dat ik thuis was. Ik zat achter mijn computer en vloekte omdat ik het dossier niet afgerond kreeg en omdat de deadline te strak was. Hij stak zijn hoofd even binnen en zei zachtjes: ‘dank je voor de mooie voetbal, papa. Kom je even mee spelen?’ Ik keek hem over mijn schouder aan en zuchtte: ‘Vandaag kan ik echt niet, jongen, ik moet dit dossier afkrijgen.’ Hij ging weer weg, hij begreep het wel. Hij was fier op zijn papa, die zoveel bereikte. Hij zei tegen zijn mama: ‘als ik groot ben, word ik net als papa.’

De tijd vloog. Ik was thuis. Mijn leven was wat rustiger geworden. Mijn zoon kwam binnen. Hij zat nu op kot. In het weekend kwam hij naar huis. Ik bekeek hem en was verbaasd: hij was geen kleine jongen meer. Mijn zoon was nu een man. Ik was fier op hem en vroeg: ‘heb je even tijd om wat te babbelen?’ Hij keek me aan, schudde zijn hoofd en zei: ‘Hey papa, ik heb geen tijd. Mag ik de auto even lenen? Ik zie je later wel!’ En weg was hij. Ik bleef erg eenzaam achter.

Nu ben ik met pensioen. Mijn zoon woont hier niet meer. Daarnet belde ik hem op. Zomaar en ook omdat ik hem miste. Ik vroeg: ‘wanneer zie ik je nog eens? Het is zo lang geleden!’ Het bleef even stil. Toen zei hij: ‘Als ik tijd heb, papa, dan kom ik nog wel eens langs. Ik heb het zo druk met mijn nieuwe job. De tweeling heeft griep. Ik heb dus mijn handen vol. Fijn om je nog eens te horen, papa!’ Minutenlang bleef ik met de telefoon in mijn handen zitten.

De gelijkenis was treffend. Het raakte me tot diep in mijn hart. Mijn zoon had gelijk: hij is groot geworden. Hij is net als ik geworden. Net als ik.