woensdag 1 februari 2012

Lena ziet ze vliegen



Lena keek vanuit haar bed door het raam. Het was een donkere, koude nacht. Er stonden zoveel sterren dat ze al gauw de tel kwijt raakte. Hier en daar fonkelde een ster wat feller dan een andere. Het leek wel of die haar aandacht wou trekken. Soms herkende ze één van de sterrenbeelden die haar broer haar eens getoond had. Ze vond het allemaal nogal gekke namen: Grote Beer, Kleine Beer… met de beste wil van de wereld kon Lena er geen beer in zien. Maar toch kon ze wel uren naar die sterren kijken.

Mama kwam haar kamer in. ‘Slaap je nu nog niet?’ vroeg ze. Lena schudde haar hoofd. Mama glimlachte, knipte het nachtlampje aan en ging op de rand van het bed zitten. Lena kroop tegen haar aan. ‘Ben je bang?’ vroeg mama. Lena haalde haar schouders op. Mama wist genoeg. ‘Kom eens hier’, zei  ze. Mama kroop onder het donsdeken en Lena kroop op haar schoot. Het grote knuffelkonijn kwam er ook bijzitten. Lena haalde nog eens haar schouders op. ‘Ik heb dat nog nooit gedaan. Misschien stort het wel neer.’ Mama trok Lena nog wat dichterbij.

‘Vliegtuigen storten bijna nooit neer’, zei mama. ‘Het vliegtuig waar wij morgen op zitten zal ook niet neerstorten. Ik weet het heel zeker.’ Lena streelde het flapoortje van haar knuffel. Ze schurkte zich nog dichter tegen mama aan. Heerlijk was dat. ‘Vertel eens hoe het is op een vliegtuig, mama.’ Mama zette zich goed, trok het deken nog wat dichter en vertelde honderduit van haar vorige vliegreizen.

Lena stapte op het vliegtuig. Haar hand lag veilig in die van mama. Ze keek haar ogen uit. Het was precies zoals mama verteld had. Toen ze op haar plaats zat, met knuffelkonijn dicht tegen zich aan, ontspande ze zich. Voor ze het wist was het vliegtuig opgestegen. Lena dacht dat ze het misschien nog wel leuk kon vinden. Maar toen liep het mis.

Een paar rijen verder zat een kleuter te huilen. Hij hield niet op. Het huilen werd brullen en niet lang daarna ging de kleuter over tot stampvoeten. Iedereen keek geïrriteerd naar het kind en zijn mama. Lena hoopte dat het vlug zou stoppen. Ze vond dit niet leuk. Een stewardess kwam aan. Nu zou het wel vlug ophouden, dacht Lena. Maar tot haar verbazing nam de stewardess het kleutertje nogal hardhandig bij de arm en trok het mee, richting cockpit. Lena keek tussen de rijen stoelen door naar de stewardess, die vastberaden doorstapte. Het gehuil ebde langzaam weg.

Er klonk een flauw belletje: de veiligheidsgordels mochten los. Mama ging naar het toilet en Lena volgde haar als een schoothondje. Ze moest even wachten op haar beurt. Een beetje verder hing een gordijn. Af en toe verdween er een stewardess achter. Het gordijn was niet helemaal dichtgeschoven. Lena zag de stewardess van daarnet, met de huilende kleuter op haar schoot. Tot haar verbazing zag ze hoe de stewardess een touw rond de enkel van de kleuter bond en goed aantrok. Toen ze daarmee klaar was bond ze het andere eind van het touw aan de poot van een zetel. Ze nam de kleuter bij de arm en verdween uit het zicht. Enkele seconden later kwam er een koude windvlaag die het gordijn deed opwapperen. Lena snapte er niets van.

Mama en Lena gingen terug naar hun plaats. Het was stil op het vliegtuig. Wat geroezemoes van babbelende passagiers en een monotoon zoemen, was alles wat ze hoorde. Lena keek uit het raam. Ze vlogen boven de wolken. Knuffelkonijn mocht mee kijken. Lena vroeg zich af hoe ver ze van de Grote Beer waren op dit moment. Maar wat was dat? Lena wreef hard in haar ogen en keek nog eens. Ja, ze zag het goed. Daar buiten, voor haar raam, hing de kleuter die daarnet zo brulde, aan een touw. Hij keek erg sip, maar hij huilde in ieder geval niet meer. Sprakeloos tikte Lena op mama’s arm. ‘Mama’, fluisterde ze, ‘mama, wat… hoe…?’ Ze vond geen woorden. Mama keek even naar buiten en haalde haar schouders op. ‘Ach’, zei mama, ‘trek het je niet aan. Zo gaat dat nu eenmaal. Deze vliegtuigmaatschappij valt nog goed mee. Als ze dit tijdens een nachtvlucht doen, krijgen de kinderen nog een lampje mee.’

Plots stond de stewardess voor hen. Lena dook ineen. Ze wist dat het nu haar beurt was. Ze wou niet aan een touw uit het vliegtuig bengelen, nee, help, ze wou niet! Ze verstrengelde haar armen rond die van mama. Ze zou zich heel hard verzetten. ‘Wenst u iets te drinken?’ vroeg de stewardess met een vriendelijk lachje. Lena schudde lijkbleek haar hoofd. Mama vroeg een cola. ‘Nog een fijne vlucht’ zei de stewardess voor ze naar de volgende rij ging. Lena kon weer ademen. Ze keek door het raampje naar de kleuter, die nu gelaten zijn lot onderging.

Lena schrok op toen mama haar in bed legde en haar goed onderstopte. Was ze ingedommeld? Hoe lang al? ‘Zo’, zei mama, ‘nu weet je hoe het is om te vliegen.’ Lena trok knuffelkonijn tegen zich aan en zuchtte diep. Toen mama haar kamer uit was,  piepte ze heel eventjes door haar raam. Sterren blonken alsof iemand ze opgepoetst had. Daar, in de verte, zag ze een lichtje dat zich langzaam voortbewoog. Ver weg, boven de wolken, dicht bij de sterren. Zou het… ?


woensdag 25 januari 2012

~~~~~~~~~~~~~~~~Ik zal er zijn~~~~~~~~~~~~~



Laat me het antwoord zijn
op je vele vragen.
Ik wil het vuur zijn
dat jouw onzekerheden
voor altijd verbrandt.
Ik wil vaste grond zijn,
of het bewaarde evenwicht
als je wankelend naar beneden kijkt.

Neem je tijd,
haast je niet.
Ik zal er zijn,
ik zal niet opgeven.
Niets is teveel,
al duurt het eeuwen.
De enige zekerheid
is dat ik je nodig heb.

Als alle sterren doven,
zal jij in mij
nog helder schijnen.
Neem me bij mijn hand
en leid me nu zachtjes
naar het ochtendgloren.
De nacht was te koud
en beangstigend eenzaam.

Neem me mee
naar een plaats
die enkel wij kennen,
waar de tijd stopt,
waar ik de herinnering kan wissen.
De herinnering aan leegte
en kille eenzaamheid.

Neem me mee
naar een plaats
waar geen vragen zijn
en antwoorden overbodig,
waar onzekerheden assen zijn
en leegte een vage vergetelheid,
waar je hand in de mijne ligt
en waar sterren helder schijnen.

Ik zal er zijn.



    Foto: Mark Kitaoka

woensdag 18 januari 2012

Muziek verlacht de zeden...


Rasgitaar
Brokfluit
Poedelzak
Nachthoorn
Pokkenspel
Wondharmonica
Saxokloon
Tombone

-          Gorgel
-          Alpentoorn
-          Synthesesizer
-          Teugelpiano
-          Snuiftrompet
-          Snarsfluit
-          Klavercimbel
-          Commandoline
-          Sambakwallen
-          Tamboezwijn
-          Trompret
-          Contragas

woensdag 11 januari 2012

Transparant



Ik ben onzichtbaar. Nu weet ik het zeker. Helemaal onzichtbaar. Eerst twijfelde ik nog, maar nu ben ik zeker. Niemand ziet me. Het is bevreemdend te weten dat men door je kijkt, je niet ziet.

Het overkwam me de afgelopen weken al een paar keer. Je hebt het misschien zelf al eens meegemaakt?  Je ziet iemand op je afkomen. Je herkent die persoon en je glimlacht al. Je kent die persoon net niet goed genoeg om enthousiast te stoppen en te babbelen, maar een gulle lach en ‘hey, hoe is het met jou?’ zal er zeker in zitten. Maar dat komt niet. Vol verwachting sta je op het punt die persoon te kruisen, maar er gebeurt niets. Je wordt voorbijgelopen zonder enige herkenning.

Vandaag werd mijn vermoeden bevestigd. Ik ben er niet meer. Men ziet mij niet meer. Ik maakte een lange wandeling door de stad. Het is een kleine stad, waarin ik al vele jaren vertoef. Men kent mij. Men begroet mij in mijn stad. Maar vanaf vandaag niet meer. Men ziet mij niet.

Er kwam weer iemand in tegengestelde richting op me af. Het voetpad was redelijk smal en tegen de gevels stonden fietsen. Het zou krap worden om elkaar te kruisen. Dus ik wist zeker dat er een ontmoeting zou zijn. Ik keek er naar uit. Het was iemand die ik graag had. Op het moment dat we bijna schouder aan schouder waren, gebeurde het. Ik kwam tot het besef dat ik onzichtbaar was. Ik stond aan de grond genageld en keek achter me. De persoon liep gewoon verder, was niet uitgeweken, had niets gemerkt. Aarzelend keek ik naar mijn borst, mijn buik, mijn benen, mijn voeten. Ik zag ze. Ze waren er. En toch leek het leek wel alsof die persoon dwars door me heen gestapt was.

Ik liep verder, met een onzichtbaar hoofd vol dikke, nadrukkelijke vraagtekens. Elke stap die ik zette, hoorde ik. Mijn hakken tikten vastberaden op de stoeptegels. Ik was er. Of toch niet? Toen ik opkeek, kwam er weer een oude bekende op me af. Ik besloot stil te staan. Zo zou ik meer opvallen. Bijna smekend keek ik in zijn ogen: ‘zie je mij? Alsjeblieft, zie mij!’ Maar ook hij liep mij voorbij, geen blik kreeg ik. Het grote niets doemde voor me op.

Mijn stad leek me af te stoten. Ik hoorde hier niet meer. Het getik van mijn hakken vertraagde. Het werd stil rondom me. Alle geluid viel weg. Ik keek rond. De beelden op mijn netvlies verstarden. Ik keek naar een stilleven. De wind blies een lok haar in mijn ogen. Ik draaide me om naar een winkeletalage en wou mijn haar terug netjes leggen. Ik zocht mijn spiegelbeeld in het glas. Het was er niet. Men zag mij niet. Ik was er niet meer.





woensdag 4 januari 2012

Een gezonde geest in een gezond lichaam



Sporten, maar dan anders...

Om al die overtollige kilootjes van de feestdagen weg te werken op een leuke manier:

- discussiewerpen
- vogelstoten
- peerwerpen
- 100 m pint
- bange afstandslopen
- baalvoetbal
- katerpolo
- gewrichtheffen
- toogschieten
- wafeltennis
- stink-hap-springen
- kamerslingeren
- taterballet
- trouwtrekken