Het zag er naar uit dat ik zou winnen. Al mijn krachten had ik aangewend. En ja, daar ging de voorlaatste. Die gaf ook op. Uitgeput viel hij op de grond. Zijn kleur was ook niet meer wat ze geweest was.
Ik had het dus gehaald. Als laatste had ik volgehouden. Nu viel ik wel goed op. Nu wel. Daarvoor was ik één van de zovelen. Nu was ik de enige. Men keek naar mij. Wijsvingers priemden mijn richting uit. Het deed me goed.
Lang kon ik het niet meer houden. Ik voelde hoe mijn krachten oplosten. Was het de regen die ze wegspoelde? Het was moeilijk. Ik voelde me ijl en leeg en heel licht. Vooral heel licht. De wind trok me met grabbelende vingers weg. Daar ging ik. Eerst maakte ik een kleine buiteling maar algauw kreeg de wind medelijden en liet me dwarrelen op een deinend bedje. Het zou onwaarschijnlijk een zalig gevoel geven om zo te zweven, maar ik was helemaal op. Het ging aan me voorbij. Ik liet los.
Onder mij stroomde het water van de rivier. De wind was me genadig. Mijn deinend bedje zou naadloos overgaan in het watertapijt. Het was goed zo. Zo ging het al eeuwen.
Elke week deed ik mijn boodschappen bij de groenteboer om de hoek. Ik kwam er graag en de koopwaar waren prima. Meneer en mevrouw Mulders hadden contact met hun klanten en het hart op de juiste plaats. Net toen ik wat blozende appels aan het uitkiezen was, zag ik een jongetje, wat mager en havenloos gekleed, met grote verlangende ogen kijken naar verse, donkergroene boontjes.
Ik betaalde mijn appels en wou buitenlopen, maar ook mijn aandacht werd getrokken door de heerlijk ogende boontjes en de aantrekkelijke prijs. In gedachte was ik ze al aan het klaarmaken zoals mijn grootmoeder dat altijd deed. Half in gedachten verzonken, hoorde ik de conversatie tussen het jongetje en meneer Mulders.
‘Hallo, Bert, hoe gaat het met je?’
‘Hallo, meneer Mulders. Goed, dank je! Ik was naar die boontjes aan het kijken. Ze zien er zo lekker uit.’
‘Ze zijn ook lekker, Bert. Mijn vrouw en ik hebben er deze middag nog gegeten. Hoe gaat het met je mama?’
‘Het gaat wel met mama, ze houdt zich erg goed.’
‘Dat hoor ik graag, Bert. Wil je nog iets kopen?’
‘Nee, meneer Mulders, ik keek alleen maar naar de boontjes.’
‘Wil je er wat meenemen, Bert?’
‘Nee, dank je, meneer Mulders, ik heb er geen centjes voor.’
‘Aha, ik begrijp het. Misschien heb je iets om te ruilen?’
‘Het enige wat ik bij heb, is een blauwe knikker. Ik win er alle knikkerpartijtjes mee!’
‘Is dat echt waar? Laat me die eens zien!’
‘Hier is hij. Het is een echte kampioen.’
‘Ja, ik zie het, Bert! Het is een hele mooie, maar... ik wil hem niet ruilen voor die boontjes. Ik had liever een rode knikker, ik spaar die al zo lang. Heb je thuis geen rode knikker?’
‘Ik denk het wel, meneer Mulders, maar ik ben er niet helemaal zeker van.’
‘Weet je wat, Bert? Neem een zak verse boontjes mee naar huis en als je nog eens langskomt, laat dan die rode knikker eens zien aan mij.’
‘Dat zal ik zeker doen, meneer Mulders. Heel hard bedankt!’
Bert spurtte naar huis, met zijn blauwe knikker in zijn broekzak en de zak boontjes gekneld onder zijn arm.
Mevrouw Mulders was tijdens deze conversatie naast mij komen staan. Toen Bert weg was, zei ze glimlachend: ‘er zijn zo nog twee jongens in het dorp. Alle drie hebben ze het thuis moeilijk. Berts moeder is ongeneeslijk ziek, de andere jongens hebben amper te eten. Meneer Mulders stelt voortdurend allerlei ruilhandeltjes met de jongens voor. Hij geeft ze boontjes, appels, tomaten of wat dan ook. Als de jongens dan terugkomen met hun rode knikker, dan zegt hij dat hij die rode knikkers toch niet zo mooi vindt. Hij stuurt ze terug naar huis, met een zak verse groenten of fruit en hij vraagt een gele of een groene knikker, voor de volgende keer. De jongens brengen altijd de gevraagde knikker mee, maar ze nemen hem ook altijd terug mee naar huis, met een zak verse groenten of wat fruit...’
Ik verliet de winkel, glimlachend om deze sympathieke man, onder de indruk van zijn onderhandeltechnieken.
Enkele maanden later verhuisde ik naar de grote stad, waar ik dit soort winkeltjes niet meer terugvond. Meneer en mevrouw Mulders en de knikkers bleven echter in mijn geheugen gegrift.
Jaren later ging ik op bezoek bij iemand in een dorpje niet zo ver van dat van meneer Mulders. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om zijn winkel op te zoeken. De deur was op slot. Er hing een wit papier op, met in kleine, sobere letters: ‘Gesloten wegens overlijden’. Mijn hart stond even stil. Er klopte iemand op mijn schouder. ‘De winkel is toe, meneer Mulders is vorige week gestorven. Het is vandaag zijn gebedswake, hier aan het eind van de straat.’ Ik knikte even, nog wat verward door het nieuws. Meneer Mulders was dood. Het raakte me meer dan ik had verwacht. De straat was leeg, grauw. Zonder nadenken stapte ik verder, richting funerarium. Toen ik daar toekwam zag ik mevrouw Mulders staan. Oud en grijs, maar met haar rug recht. Ze ontving iedereen met een woord van dank en ze koesterde de troostende woorden. Ik schoof aan in de rij, niet goed wetend wat ik haar zou zeggen en of ze me nog zou kennen. Voor me stonden drie jonge mannen. Een van hen was in brandweeruniform, de twee anderen hadden een mooi pak aan. Het waren knappe, verzorgde mannen. Elk van hen nam zijn tijd voor mevrouw Mulders en samen stapten ze naar de kist waarin meneer Mulders opgebaard lag. Ik zag hoe elk van hen liefdevol de hand van meneer Mulders vasthield en hem toesprak, alsof hij hen kon horen. Mevrouw Mulders had me ondertussen opgemerkt en kwam naar me toe, de mannen achterlatend bij haar overleden echtgenoot. Toen ik haar vertelde hoe het verhaal van de knikkers me al die jaren was bijgebleven zag ik haar lichtblauwe ogen even opflikkeren. Ze knikte en keek naar de drie jongemannen.
‘Die jongens waar Fred, want zo heette meneer Mulders, zo graag mee ruilde, zijn nu mannen geworden. Dat zijn ze.’ Met haar ogen wees ze naar de mannen rond de kist. ‘Ze vertelden me net hoe hard ze zijn ruilhandel waardeerden. Het heeft hen geholpen om te overleven. Ze hebben het niet gemakkelijk gehad, maar ze hebben het goed nu.’ De drie mannen verlieten de rouwkamer, triest, kwetsbaar. Ik zag hoe mevrouw Mulders overmand werd door emoties. Ze nam me bij de arm en leidde me naar de kist. ‘Weet je? Mijn man heeft nooit kunnen kiezen welke kleur de knikkers moesten hebben, maar de jongens zijn altijd eerlijk geweest in het ruilen. Vandaag ook. Vandaag hebben ze in zijn plaats de kleur gekozen. Wij hebben het zelf nooit echt breed gehad, maar op deze dag zou Fred zichzelf de rijkste man van de wereld gevoeld hebben...’ Liefdevol, met lichtjes trillende handen, nam ze een hand van haar overleden man op. Daaronder lagen drie prachtige rode knikkers te glanzen...
Niets zo goed als T-time met een koekje en een streepje muziek. Vanaf nu kan je hier en daar een kleine mp3-speler zien opduiken. Het staat je vrij om dat snufje te laten spelen, te negeren, te vervloeken of te ontdekken.
Ze staan daar, in het donker. Sommigen alleen, anderen in trosjes. Ze hebben weinig met elkaar te maken. Hoewel ze soms met een vijftiental zijn, staat ieder toch op zijn eilandje. Het is oktober. Dan staan ze met hun schouders wat opgetrokken, hun hoofd zoveel mogelijk in hun jas. Ze schermen zich af tegen de kou 's morgens. Anderen zonderen zich af van hun omgeving door hun mp3-oortjes. Vaak kan je horen wat zij horen. Gratis. Je hoefde het zelfs niet te vragen.
Soms zie je hen de gsm bovenhalen en zie je razendsnel die duim over het toestelletje gaan om berichtjes te schrijven. Naast hen doet iemand anders net hetzelfde. Je vraagt je af of ze naar elkaar sms-en...
Hun houding is bijna altijd dezelfde: gelatenheid en verveling. Wie kan, leunt ergens tegenaan en staat wat onderuit gezakt. Af en toe heft er iemand het hoofd op, zonder veel verwachting. Daarna verdwijnt dat hoofd weer in de kraag van de jas. De gedachten worden weer afgesloten. Het wachten gaat gewoon verder.
De meesten zijn jong. Ze lopen wat gebukt onder hun eigenwijsheid.
Anderen zijn zeker dubbel zo oud en voelen zich niet erg op hun gemak. Onwennig kijken ze rond, naar die jongeren. Onzeker of ze hen wel kunnen vertrouwen. De donkere morgen verstevigt hun twijfel.
Dan heb je nog de hele jonge gevallen. Zij kunnen dit nog niet alleen. Ze worden vergezeld door één van de ouders, meestal hun moeder. Ook hier is de variatie groot. Je hebt de fiere moeder die netjes rechtop staat, mooi gekleed en haar haar al netjes in de plooi. Trots op haar kind, trots op haar taak. Maar je hebt ook de andere moeders: onder die lange jas zie je een pyjamabroek en, ondanks de kou, blote voeten in open slippers. Dan heb je in deze categorie nog eens een opdeling: diegenen die zich niets aantrekken van de fronsende blikken en die, die spijt hebben dat ze niet wat vroeger begonnen zijn om de ochtend van hun lijf weg te werken en niet kunnen wachten tot het wachten stopt.
Eén ding hebben ze gemeen: ze wachten. Allemaal. Kind, tiener, senior, ... iedereen gelijk. Iedereen wacht even lang.
Het donker lost langzaam op. Voeten schuifelen ongeduldig heen en weer. Handen worden uit de jaszakken gehaald om op horloges te kijken. Tassen die op de grond stonden, worden weer in de hand genomen. Men wordt ongeduldig. Eén iemand zet een stap naar voor en steekt zijn nek uit om wat verder te kunnen kijken. De anderen kijken hem meewarig aan. Zij weten dat dat niet helpt.
Hier en daar klinkt een zucht. Iemand knikt instemmend.
Ze was zo mooi. Als ze verdriet had, werd ze bijna doorschijnend. Kon hij maar echt door haar heen kijken om te zien waar dat verdriet vandaan kwam. Ze zei niets. Hij vroeg niets. Hij wist niet hoe hij erover moest beginnen. Gevoelens lagen nogal gevoelig. Bij hem thuis werd daar niet over gepraat.
Ze huilde. Langzaam vond een traan de weg naar haar kin. Na een tijdje drupte de traan op de tafel. Hij kon alleen maar kijken hoe die traan even later gezelschap kreeg en hoe zij nog doorzichtiger werd.
Om middernacht stond ze op. Hij volgde haar naar de slaapkamer. Zonder een woord ging ze op bed liggen. De tranen bleven komen, maar volgden nu een andere weg. Uren bleef hij naar haar kijken. Ze viel in slaap. Hij vond het fascinerend om te zien hoe ze slapend bleef huilen. Geruisloos en doorschijnend.
Ze leek verder dan ooit. Hij moest opstaan. Het was tijd om naar het werk te vertrekken. Heel behoedzaam veegde hij een traan van haar wang. Hij keek ernaar, alsof hij daardoor haar verdriet zou kunnen begrijpen. Het leken wel parels. Onverklaarbare parels. Hij keek nog één keer om.
Ze zag hem vertrekken. Haar eenzaamheid was compleet. De leegte kon niet groter worden dan dit. Alles in haar stroomde weg, ver weg. Ze liet het gaan, liet de tranen stromen. Oneindig veel doorzichtige parels. Het was goed zo. De eenzaamheid vormde een cocon rond haar, die ze dichterbij trok. Eindeloos stroomden de tranen verder.
September 1986. Martijn zat wat onwennig rond te kijken. Hij was met de fiets gekomen en nu hij binnen was, besloegen zijn brilglazen helemaal. Het was druk in het studentenrestaurant. Het nieuwe academiejaar was nog maar 2 dagen bezig.
Martijn keek rond, maar kende er niemand. Dat kon ook niet, want van zijn dorp was er niemand naar de universiteit van Leuven gegaan. Veel vrienden had hij ook niet in zijn dorp. Ze vonden hem maar vreemd: altijd met zijn neus in de boeken en in de klas stelde hij vragen aan de leerkrachten, waar die dan tot hun ongenoegen, geen antwoorden op wisten. Ze lieten hem met rust. Martijn was een rare jongen. Ze zouden hem vlug vergeten in het dorp. Niemand wist wat ze met hem aanmoesten.
‘Geschiedenis van de Oudheid’ aan de faculteit Letteren, had hij gekozen als richting. Zijn boeken en cursussen had hij al een paar maanden op voorhand in bezit. Enkele cursussen had hij zelfs al helemaal doorgenomen. Martijn wou goed voorbereid zijn. Hij nam studeren heel serieus. Zijn eerste lessen vielen goed mee: hij wist precies waar het over ging, want de avond ervoor had hij alles nog eens goed nagelezen. Met potlood had hij in de kantlijn wat aantekeningen gemaakt. Hij zou aan de professor wat verduidelijking vragen bij die vage omschrijving in alinea 2.
Er kwam een koppeltje aan zijn tafel zitten. Ze lachten en deden heel uitgelaten. Martijn hield er niet van. ‘Stoort het als we erbij komen zitten?’, vroeg de jongen. Martijn schudde glimlachend ‘neen’, maar alles in hem zei ‘ja’. Het koppeltje herschikte de dienbladen: het glas water en het dessertje werden even aan de kant gezet. Het meisje prikte giechelend enkele frietjes van het bord van de jongen. Hij sloeg speels met zijn vork naar haar hand en deed hetzelfde met haar frietjes.
Verlegen keek Martijn naar zijn bord. Het stoofvlees was op, de sla ook, nog één frietje lag er op zijn bord. Hij was zo gelukkig dat er studentenrestaurants bestonden. Hij kon zelfs geen ei bakken. Soep kwam uit een blikje en dan moest hij ook altijd opnieuw het etiket lezen om te weten hoeveel water erbij moest. Als er geen Alma bestond, zou hij alleen maar boterhammen met jonge kaas eten... Maar over het Byzantijnse Rijk wist hij dan weer alles.
Martijn had nog honger. Het eten was lekker en niet duur. De jongen aan zijn tafel zag hoe Martijn naar de frietjes in zijn bord staarde. Hij lachte. ‘Heb je nog honger? Wil jij ook mijn frietjes pikken? Dat gaat niet lukken, hoor!’ Hij stak zijn vork als een afweermiddel voor zich uit en stootte zijn liefje samenzweerderig aan. Het meisje lachte zwakjes, ze had wat medelijden met die sullige knaap. ‘Wil je nog frietjes?’ vroeg ze. ‘Dat kan hier, hoor. Je kan altijd frietjes gaan bijvragen.’
Het bord was leeg. Alles was op. Het laatste frietje ook. Martijn had goed begrepen wat dat meisje gezegd had: je kon frietjes bijvragen. Maar hoe? Moest je dan echt terug in die lange rij gaan aanschuiven? Daar had hij echt geen zin in. Maar extra frietjes zouden er wel in gaan. ‘Allez, waar wacht ge op? Sebiet zijn alle frieten op!’ zei de jongen. ‘Ik, euh, ik weet niet goed hoe dat hier gaat. Moet ik, euh, moet ik dan terug aanschuiven in die rij?’ zei Martijn. Het koppeltje keek hem verbaasd aan. Voor hen zat een écht groentje. Lieve help, hoe was dit toch mogelijk? ‘Weet je dat dan niet?’ vroeg de jongen. Martijn schudde verlegen zijn hoofd. Gisteren was hij ook met nog wat honger vertrokken. Hij was blij dat iemand hem zou inlichten. ‘Wel, luister goed. Het is niet moeilijk’, zei de jongen. Hij boog zich voorover en sprak Martijn stilletjes toe. Wat Martijn niet zag, was dat het meisje onder tafel een stootje gaf tegen het been van de jongen.
Martijn stond vastberaden op. Op weg naar meer frieten. Hij voelde zich wat licht in het hoofd. Zó eenvoudig was het! Dat hij daar zelf niet opgekomen was. Hij zou een extra portie frieten halen, die langzaam opeten en daarna terug naar zijn kamer gaan en nog wat studeren. Het leven lachte hem toe. Hij keek om naar de tafel waar hij zat. Zijn portefeuille lag er nog. Die nam hij toch beter even mee. Handig was dat niet: een dienblad dragen én die portefeuille. Het ding ging voor het gemak maar mee op het dienblad. Hij was er bijna. Nog een paar meter. Hij had geluk: er stond niemand voor hem. De jongen had hem duidelijke instructies gegeven. Hij kon de geur van de frietjes al ruiken.
Langzaam wachtte Martijn af tot hij het ritme van de lift begreep. Hij had enkele seconden om zijn dienblad erin te schuiven. Het was wel uitkijken. Vreemd toch dat er dienbladen tussenzaten met borden die niet helemaal leeg waren. Hij mocht thuis maar bijnemen als zijn bord leeg was. Nu zou het gebeuren: hij schoof zijn dienblad rustig en beheerst in de metalen geleiders van de lift. Met een luide, maar toch ook een beetje een trillende stem riep hij in de richting van de kelder: ‘één portie frietjes, één!’ Afwachtend keek hij zijn dienblad en zijn portefeuille na. Dan draaide hij zich hoopvol om naar de jongen die hem zo geholpen had.
Die moest zo hard lachen dat hij zich verslikte in een friet. Het meisje gaf hem nog een dreun. Martijn wachtte geduldig tot zijn dienblad weer voorbij zou komen...