maandag 20 oktober 2014

Verdriet





Deze ochtend was ik weer erg vroeg wakker. Het was zondag en niets hield me tegen om nog wat te genieten van de warmte van mijn bed. Maar de fluitende vogeltjes lokten me. Ik stond op, zette een kopje thee en liep de tuin in. Het was nog donker, net voor het ochtendlicht zich voorzichtig zou aankondigen. Late sterren fonkelden en ook de maan liet zich nog zien. Hoog boven me vloog een vliegtuig, waarop de eerste zonnestralen al weerkaatsten. De rust, de geuren, de ontwakende wereld… ze deden me diep inademen. Het was onbegrijpelijk dat al dit moois voor haar niet voldoende geweest was. Deze nacht zou waarschijnlijk uitmaken of ze het haalde of niet. 

Een tiental mussen kwam me kwetterend begroeten. Ook de kippen ontwaakten. Ik keek naar mijn dampende kop thee. Het was oktober maar het was heerlijk zacht zo vroeg in de ochtend. Door de bomen heen zag ik, op een honderdtal meter afstand, twee reeën grazen. Ook zij genoten van de rust. Mijn hond vleide haar hoofd op mijn schoot en keek me doordringend aan. Als ze had kunnen praten zou ze zeker gevraagd hebben: “Waar denk je aan?” 

Ik dacht aan teveel tegelijkertijd. De tegenstelling was zo groot: ik zat hier te genieten van de kleine dingen van het leven en zij lag daar, in een ziekenhuisbed. Ik wist dat zij niet zou vechten voor haar leven. Ze wou niet meer. Ze had een wrede keuze gemaakt. Ze hadden haar gevonden, alles gedaan om haar te redden. Precies dat wat zij niet wou. Maar dat was nu eenmaal de procedure. Reanimatie, na minutenlang terug een hartslag. 

Verwarring. 
Verbijstering. 
Verschrikkelijk. 
Verbouwereerd. 
Verliezen. 
Verdwaasd. 
Verdriet. 
Verdorie. 

Woorden met –ver. En dan kom je tot het besef dat er zoveel woorden zijn om emoties te omschrijven, maar dat er toch geen enkel woord krachtig genoeg is om dit gevoel uit te drukken. 

De wereld ontwaakt. Mijn kopje thee is leeg. Het concert van de vogels is bijna oorverdovend. Tegelijkertijd overvalt de stilte me. Als een cocon rond het zeteltje waarin ik me genesteld heb. Ik doorprik de cocon even en steek een kaarsje aan. Nog een tegenstelling die me treft. Het zonlicht absorbeert het kaarslicht bijna volledig. Ik maak nog een kopje thee en ik denk aan haar. 

Meer kan ik niet doen. 




woensdag 8 oktober 2014

Surprise



Het gebouw was verlaten. Dat was al maanden zo. Ooit was het nochtans anders. Een jong koppel runde er een goed draaiend bedrijf. Ze waren gedreven, creatief en ondernemend. Hij was traiteur en mocht ook de titel van chef-kok dragen. Zijn vrouw hielp mee in de zaak en deed de boekhouding. Toen ze hun droom eindelijk werkelijkheid zagen worden, stonden ze fier en arm in arm toe te kijken hoe het paneel ‘Traiteurdienst Jodi’ boven hun deur bevestigd werd. ‘Jodi?’, vraag je je dan af. Ja, ‘Jodi’, want hij heette Johan en zij luisterde naar de naam Diane. Ze deden alles samen en dus was ook de naam van hun zaak een samensmelting van hun persoontjes.

De buurt zag hen graag komen. Je kon er de lekkerste belegde broodjes krijgen. Johan maakte verse slaatjes, verzorgde feestjes, stelde zijn kookdiensten ten dienste van mama’s die grootse communiefeesten in hun tuin wilden organiseren en recepties op huwelijken waren tot in de puntjes verzorgd. Diane maakte je vrolijk door haar verschijning alleen al. Ze lachte altijd en was tegen iedereen vriendelijk. 
 
De zaak draaide goed. Traiteurdienst Jodi had veel succes. Je weet zelf wel wat mond-aan-mond-reclame kan doen. Het bedrijf floreerde en er werd extra personeel aangenomen. Ze hadden hun handen vol. Maar jammer genoeg hadden ze ook minder tijd voor elkaar. Het groeide wat boven hun hoofd, maar ze beseften het niet. Ze stonden minder en minder arm in arm te kijken naar hun gerealiseerde droom. Johan werkte zich uit de naad om alles rond te krijgen. Diane deed vooral de winkel en de bestellingen. Gelukkig kreeg ze veel hulp van één van hun nieuwe werknemers, Kevin. 

Johan merkte zelfs niet dat Kevin meer dan alleen hulp bood aan Diane. Het klikte tussen die twee. En aangezien Johan altijd in de keuken bezig was en Kevin dag in dag uit met Diane samenwerkte, verschoof haar verliefdheid als een vanzelfsprekendheid naar Kevin. Natuurlijk hielden ze dat angstvallig geheim. Diane wou haar zaak niet verliezen en diep in haar hart zag ze Johan ook nog erg graag. Ze respecteerde hem. Maar toch niet genoeg om de grenzen van de trouw te doen vervagen.

Op een dag kwam Johan met een idee. Hij had in een Amerikaanse film iets geweldig gezien: zou het niet fantastisch zijn als zij ook een reuzetaart zouden binnenrollen op een feest en dat Diane daar, schaars gekleed, met veel toeters en bellen uit tevoorschijn zou springen? Aanvankelijk vond Diane het maar niets. Het idee om voor wildvreemde mensen uit een taart te komen, gekleed in een pakje met pluimen en veel glitters, schrok haar wat af. Maar ook Kevin  kon haar overhalen. Ze was immers een mooie vrouw en iedereen zou haar bewonderen. De ijdelheid haalde het van haar twijfel en Diane kocht zich een glamourpakje en make-up. 

De eerste keer verliep het wat onwennig, maar het had zoveel succes dat er al gauw veel bestellingen voor de reuzetaart binnenliepen. Johan zag dat het goed was. Zijn idee werd beloond met een nog groter inkomen. En Diane deed dat goed. Ze ging helemaal op in haar rol. Ze lachten er vaak mee; zouden ze de rollen eens niet omkeren? Het zou nogal een verrassing zijn als Johan, met zijn beginnend buikje, uit de taart tevoorschijn zou komen… Maar Johan bedankte feestelijk. Hij had claustrofobie en geen haar op zijn hoofd dacht er aan om in zo een taart te zitten en te wachten op het juiste moment!
Het werd al gauw routine. Johan maakte de taart klaar en Kevin en Diane reden naar het feest, met de taart in de bestelwagen. Daar aangekomen hijste Diane zich in het gebak en deed haar act. Jodi was een gesmeerde machine.

Maar Johan was niet dom. Hij zag de steelse blikken wel tussen Kevin en Diane. Hij werd achterdochtig en hield hen goed in de gaten. Helemaal zeker was hij niet, vooral omdat hij het niet wou geloven dat Diane hem bedroog. En Diane ontkende met veel overtuiging.

Het was vrijdagavond. Diane zou deze avond weer haar act opvoeren. Maar hun planning zou er net wat anders uitzien. Het feest ging door op een paar honderd meter van hun zaak. Net daarvoor moesten ze een grote bestelling afleveren in een andere stad en daarna hadden ze nog een levering. Samen bekeken ze hoe ze dit allemaal voor elkaar zouden krijgen. Kevin opperde dat hij de eerste bestelling zou leveren en dat Diane en Johan de voorbereidingen van de taart zouden doen. Als Kevin terugkwam, zou Diane vooraf al vlug in de taart kruipen en zouden ze zo naar het feest rijden. Dat zou hen wat tijd besparen en het was niet ver. Iedereen vond het een goed idee. Alleen waren er nog de wegwerkzaamheden op die paar honderd meter. Maar ook daar hadden ze een oplossing voor: een stevige houten kist om de taart zou de ergste schokken wel opvangen. Gelukkig schrikte het Diane niet af om ook nog eens in een kist opgesloten te zitten.

Maar die avond ontdekte Johan het bedrog van Diane. Hij vond lieve briefjes die ze schreven naar elkaar en alle puzzelstukjes vielen op hun plaats. Vorige week was Diane helemaal niet naar de bioscoop geweest met een vriendin. Ze had een zalige avond met Kevin beleefd blijkbaar. Johans wereld stortte in. Hij wou Kevin confronteren en ging naar hem op zoek. 

Kevin was al op de terugweg naar de zaak en hoorde zijn gsm rinkelen. Hij had net aan Diane laten weten dat ze al maar in de taart moest kruipen, zodat hij meteen kon leveren. Al rijdend nam hij de telefoon op, zich van geen kwaad bewust. Het was Johan, die meteen begon te roepen en te tieren. Kevin was helemaal van de kaart en zag de vrachtwagen voor hem niet, die een onverwacht inhaalmanoeuvre deed. Het werd een frontale botsing met een fatale afloop. Kevin had geen pijn geleden. Hij was op slag dood.

Johan brieste van woede en ging ervan uit dat Kevin de telefoon had afgelegd. Hij sprong in zijn auto. Diane hoorde hem vertrekken, in haar taart en houten kist. Ze wist niet wat er aan de hand was. Ze riep even, maar niemand antwoordde. Al de andere personeelsleden waren al naar huis.

Johan was zichzelf niet meer. Tranen stonden in zijn ogen. Daardoor zag hij de borden niet van de wegomlegging. Of hij zag ze wel, maar negeerde ze. Niemand zal het weten. Zijn auto en zijn lichaam werden een dag later gevonden in het kanaal. Het was een dramatisch verhaal. Een werknemer en de eigenaar van Traiteurdienst Jodi stierven op dezelfde dag.

En Diane? Die zat in haar taart. Te wachten. Uren, dagen, er kwam geen einde aan. Niemand kon haar bereiken. Haar gsm lag in de woonkamer en stond af. Hoe vaak had ze niet geprobeerd om die houten kist open te krijgen? Gelukkig moest ze geen honger lijden. Maar het duurde te lang. Veel te lang. Uiteraard ging de zaak, na de dood van Johan, meteen dicht. Men ging op zoek naar Diane, maar vond haar niet. De kranten berichtten er de eerste dagen uitvoerig over, maar al gauw werd het vergeten. Net zoals Diane.

Maanden verstreken. De deur bleef dicht. Tot op de dag dat er een onderzoek gevoerd werd. Rekeningen waren niet vereffend, de huur was niet betaald. Het gebouw werd in beslag genomen. Alles lag ondertussen al onder een laag stof. Wat nog waarde had, werd meegenomen. De man die na lang zoeken, de sleutel van de bestelwagen vond en die opende, krijgt nog steeds psychologische begeleiding.

Dat een slagroomtaart na zoveel maanden beschimmeld en stinkt, dat besefte hij wel. Maar niemand had verwacht dat hij er een hoopje pluimen en de beenderen van Diane zou vinden…






maandag 15 september 2014

Onthoofding



Vaak krijg ik te horen dat ik een ruime woordenschat heb. Dat komt omdat ik verslingerd ben aan taal. Nieuwe woorden spreken me aan en prikkelen me. Als kind had ik dat al. Ik zie mezelf nog zitten in de grote, lederen club in de woonkamer. Het was een zalig plekje, naast de open haard, die in natuursteen een extra dimensie aan het huis gaf. Achter me was een kamerbreed boekenrek, van de vloer tot aan het plafond. Mijn vader had dat eigenhandig gemaakt. Mijn moeder had het gevuld. Er stond een muziekinstallatie in, maar alle andere vulling bestond uit boeken, boeken en nog eens boeken. Aan mijn rechterkant was een groot raam, waardoor het altijd aangenaam lezen was.

Ik ontdekte er Kipling, Yeats, de zussen Brönte, Hemingway, Shakespeare, Nabokov, Twain, Chaucer, Tagore, Kirkland, maar ook Herman De Coninck, Clem Schouwenaars en nog vele anderen. Ik was nog veel te jong voor dit soort literatuur, maar ik werd er zo door aangezogen dat er geen dag voorbij ging of één van de boeken ging door mijn handen. Ik hield van die harde kaften, het mooie papier, al die letters die woorden vormden en vervolgens zinnen om dan pardoes een heel verhaal te vertellen. Het was een fascinerende tijd.

Toen ik op een dag thuiskwam van school en mijn favoriete plekje wou induiken, stonden er drie dozen in de weg. Mijn moeder glimlachte naar me. ‘Kom eens kijken’, zei ze. Nieuwsgierig wierp ik een blik in één van de dozen. Erg groot was mijn verbazing niet, toen ik zag dat er boeken inzaten. Het waren niet zomaar boeken. Het was een heuse encyclopedie. ‘Winkler Prins’ stond er in gouden letters op de rug. De boeken werden zorgvuldig in de bibliotheek gezet. Netjes volgens nummer. Het leken wel soldaten, gekleed in het bordeaux. Het maakte een enorme indruk op me.

De andere boeken werden even vergeten want met deze aanwinst ging de volledige wereld voor mij open. Eerst zocht ik gericht dingen op. Dat begon eenvoudig. ‘Hond’, zocht ik en vervolgens las ik gretig alle weetjes die Winkler Prins me over de hond wilde meedelen. Maar al vlug breidde zich dat uit. Als ik op de radio of televisie een woord hoorde dat ik niet kende, snelde ik naar de encyclopedie en zocht het op. In een later stadium nam ik een willekeurig deel uit de rij en bladerde er in tot ik een onderwerp tegenkwam dat me aansprak. Ik leerde veel. Het gebeurde vaak dat ik een artikel las, daar weer een vreemd woord in vond en dat ging opzoeken. Uren was ik er zoet mee.

Nu, in deze tijd, ben ik daar nog steeds dankbaar voor. Het bezorgde me een goede algemene kennis, een gezonde portie nieuwsgierigheid voor verschillende items en een flinke woordenschat. Het gebeurt nog steeds dat ik een woord hoor en denk ‘hm, dat zou ik eens moeten opzoeken’. De encyclopedie staat niet meer binnen mijn bereik. Ik ben al vele jaren het ouderlijk nest ontvlogen, maar de reflex is er nog steeds. En er is nu zoiets als een online naslagwerk.

Het woord dat je tegenwoordig bijna dagelijks in het journaal hoort is ‘onthoofding’. Ik herinner me nog goed dat ik dat in mijn doorbladersessies tegenkwam. Onthutst was ik, vooral door de sprekende illustraties erbij.

‘Onthoofding is het scheiden van iemands hoofd van de rest van het lichaam. Het is al sinds de Oudheid een van de meest gebruikte methoden om de doodstraf ten uitvoer te brengen.’, stond er letterlijk. Nu wist ik wel dat men in veel vroegere tijden niet zo fijnbesnaard was en dat er nogal eens barbaarse praktijken uitgevoerd werden. Maar toch…

En nu, in 2014, duikt het woord weer op. Ik lees de definitie nog eens op Wikipedia en stel me de vraag of we in de juiste eeuw leven. Woorden als ‘straf, volksvermaak, schavot, beul, wreed, bijl, schandpaal, terechtstellen, pijn, barbaars’ schieten spontaan in me op. Ik probeer het te begrijpen. Maar het lukt niet. Op het journaal wordt er gewaarschuwd: niet voor gevoelige kijkers. Ik kijk dan ook bewust niet. En ik ga zeker niet op zoek naar de volledige filmpjes. Het enige dat ik voel is een enorme afkeer. Een zwaar wegend onbegrip. Hoe kan iemand zo een wrede daad verrichten? En dat niet eenmaal, maar verschillende keren na elkaar? Doet die persoon dat routineus? Ik vraag me ook af of deze man ’s avonds met een gerust geweten zijn ogen kan sluiten en zonder te piekeren in slaap kan vallen. Ik kan het me niet inbeelden. Ik zou maar al te graag eens in de ziel en het geweten van deze man willen ronddwalen, op zoek naar een stukje medeleven, empathie, menselijkheid. In de stiekeme hoop dat toch te vinden. Mijn geloof in de mensheid krijgt een nog grotere barst…

Zelf ben ik niet tot doden in staat. Hoewel ik eerlijk moet opbiechten dat er al eens een mug sneuvelt. Maar vraag me niet om een ander levend wezen te doden, laat staan bewust pijn te doen. Als andere kinderen vleugeltjes uittrokken bij een vlieg, draaide ik het hoofd weg. Ik gruwelde ervan. Net zoals ik nu gruwel van het woord ‘onthoofding’. Het kan er bij mij maar niet in. Het woord klinkt niet alleen alsof het uit een al lang voorbij tijdperk komt, de betekenis ervan is dat ook. 

Het lijkt wel alsof de klok teruggedraaid wordt. De mensheid zit aan de top van zijn beschaving en gaat nu terug in de tijd. Of niet? Het is wat kort door de bocht en ik weet dat ik het niet mag veralgemenen. Het woord blijft door mijn hoofd spoken, net zoals de foto’s die je dagelijks op allerlei media ziet verschijnen. Ik zucht. Een zucht vol frustraties en onbegrip. Met een hoofd vol encyclopedieprenten en gedachten naar de mensen die dit lot moeten ondergaan, sluit ik mijn laptop af. Het ding is helemaal opgeladen. Gelukkig maar, want je weet nooit dat ze vandaag of morgen de elektriciteit voor een paar uur gaan afsluiten…



vrijdag 18 juli 2014

Bootsman


Ik ken je niet, maar ik voel een ongekend verlangen om meer te willen.
Woorden razen als een waterval door mijn hoofd en houden me voor de gek.
Ik verstar. Ik verstom.
Langzaam voel ik mezelf wegglijden.
Ik kan niet verlangen.
Mijn ziel is een bootswrak, met een paar gaten in het ruim.

Ik zink, eindeloos diep, gevolgd door ogen die me kennen.
Een hand reikt naar de mijne maar het voelt alsof ik niet meer terug kan.
Mijn gemoed trekt me dieper en dieper en lijkt mezelf uit te wissen.
Mijn luchtbel raakt langzaam op.

De diepte onder me trekt meedogenloos.
Toch ik voel een licht verzet.
Een kleine opstand welt in me op.
Muiterij aan boord.
Ik trappel, wil ontsnappen aan die leegte, strek me naar die vingers in de verte.
Ze zijn er nog.
Ze hebben niet opgegeven.
Ze trekken me terug aan boord.

Ik vroeg je: Neem het roer van mijn zinkende boot even over.
Ik ben het noorden kwijt.
Zet koers naar een veilige haven.
Haast je niet, vaar met de wind, doe het langzaam, maar met vaste hand.
Zing me onderweg een zeemanslied, vol hoop en passie.
Zeg me dat we er geraken, ook al beukt de storm tegen de gehavende boeg.

Je keek naar me en zei: je hebt genoeg gestreden. Het is tijd om aan land te gaan.
De oorlog met jezelf verlangt naar een wapenstilstand.
Je bent de overwinnaar, maar je beseft het nog niet.
Je status van drenkeling is voorbij.

In de verte daagde de haven.



woensdag 16 juli 2014

Ruggengraat


Hij ging met zijn vinger over mijn ruggengraat. Er zat een dikke wollen trui tussen zijn huid en de mijne. Toch bezorgde die aanraking me kippenvel. Hij keek me vol verwachting aan, maar ik sprong van mijn stoel en ging naar buiten. Ik voelde me verlamd, bevroren. Die simpele aanraking verwarde me en bracht zoveel in me los.

Het deed me beseffen dat het heel lang geleden was dat iemand me nog aangeraakt had. Hoe langer het duurde, hoe meer ik het afhield. Ik wist niet hoe ik er mee moest omgaan. Kon ik daarvan genieten? Ik wist het niet. Het kippenvel trok langzaam weg.

Hoe zou het voelen huid op huid, zonder wollen trui als buffer? Ik verstarde nog meer bij die bedenking. Het was angst. Angst om een aanraking, angst om geliefd te worden. De angst om mezelf bloot te geven. Om dat pantser te laten vallen. Omdat de zekerheid er was dat het in ontelbaar veel scherven zou uiteenvallen. Niet meer te lijmen.

De confrontatie was als een slag in mijn gezicht: hoe simpel zou het zijn om die blik te beantwoorden, om zijn hand in de mijne te leggen en samen weg te gaan. Op ontdekking naar elkaar. Maar ik kon het niet. Ik vluchtte, meer voor mezelf dan voor hem. Ik controleerde mijn pantser. Het was er nog. Het vertoonde slechts een miniem barstje.

Opgelucht haalde ik adem. Ik vermande me zoveel ik kon, rechte mijn schouders en wreef zachtjes over de barst. Het zou niet opvallen.

Het liefst van al zou ik willen wegrennen. Rennen zonder te stoppen, voor de rest van mijn leven. Wegrennen van alle aanrakingen en vragende ogen. Maar ook van de pantsers.





zondag 15 juni 2014

Oost west...


Het huis is eindelijk aan me gewend geraakt. Ik voel hoe het ontspannen even zucht en de schouders, bij wijze van spreken, laat zakken.

Als ik er ’s nachts in ronddool is het niet meer op zijn hoede, maar stelt het zich open. Het geeft gewillig mee. Elke trede veert soepel mee, zodat mijn stappen weer comfortabel worden en een duwtje krijgen. Geen enkele trede kraakt meer. Al de weerbarstigheid is verdwenen.

Het huis heeft me aanvaard. Eerst leek het er op dat het een strijd zou worden. Maar ik besloot niet mee te doen. Ik zou blijven, me wat nederig opstellen tegenover deze hoop bakstenen, die me enkel maar wilden uitspuwen.

Al vlug hield ik van dit huis. Ik hield van de sfeer, de geschiedenis en de kleine details waarachter lange en oude verhalen schuilden. Het heeft lang geduurd voor het zijn weerstand opgaf. Na de vorige bewoners was het het vertrouwen wat kwijt.

Maar deze nacht voelde ik de kentering. Ineens was er die klik. Het stelde zich open. De muren gaven het op om op me af te komen. De deuren gingen veel vlotter open dan dicht en bleven voortaan uitnodigend op een kiertje staan. Mijn voeten raakten geen ijskoude tegels meer maar een uitnodigende vloer. De vele kamers waren geen labyrint meer, maar gezellige plekjes.

Het dolen ’s nachts werd korter, omdat nu elk plekje een stukje thuis is.






donderdag 5 juni 2014

Even leven


Iedereen kende Linda. Niet dat iemand al met haar gepraat had, want daar had ze nooit tijd voor. Als je haar zag, liep ze snel voorbij. Wie toch een praatje wou doen, kreeg te horen: ‘ik heb geen tijd, ik moet nog even…’ Wat ze verder nog zei, kon je niet meer horen, want ze was alweer weg.

Mensen keken haar na, ze schudden met hun hoofd en begrepen haar gehaastheid niet. Ze hadden medelijden met Linda, die zichzelf elk moment van de dag voorbij liep. Maar Linda haastte zich voort. Ze had geen tijd om er bij stil te staan.

De bakker deed erg zijn best om er wat aan te doen. Als Linda weer eens de winkel kwam binnengesneld, probeerde hij haar te kalmeren. Hij treuzelde met opzet, stelde het vragen wat ze wou een beetje uit, zodat ze het echt wel rustiger aan moest doen. Maar Linda had er geen oren naar. Nog voor de bakker iets gevraagd had, had ze zelf haar klein bruin brood vast en lag het gepaste geld al klaar. De bakker verpakte het brood, maar gaf het niet meteen. Hij zei: ‘Linda, je vergeet te leven! Doe het toch wat rustiger aan. Jaag je niet op. Het lijkt wel een ziekte, jouw gehaastheid. Probeer nu toch eens te genieten…’

Maar Linda had geen tijd, ze griste het brood uit zijn handen en mompelde: ‘Ik moet gaan, dan kan ik nog even…’ Maar ze was al weg. De bakker bleef sprakeloos achter.

Linda stapte snel door de straat. In haar haast zag ze de blikken van de voorbijgangers niet. Die keken haar vreemd aan, omdat ze tegen zichzelf praatte. Ook dat deed ze gehaast. Met andere mensen praten, deed ze nooit. Daar had ze geen tijd voor.

Tijdens haar drafje naar huis was ze al volop aan het denken wat ze nog moest doen: ze moest nog eten maken, en wat zou ze morgen nog van boodschappen moeten halen? Linda raasde maar door, aan een tempo waar je ziek van werd.

Toen struikelde Linda over een losse boordsteen. Ze stond snel weer recht, klopte haar kleren wat af en bekeek de schaafwonde op haar knie. ‘Vlug, geen tijd voor. Ik moet nog even…’, dacht ze. Wat verderop stond een kind. Het had een ijsje in zijn hand. Omdat het zo traag genoot, liep het gesmolten ijs in dunne beekjes over het koekje en zijn hand. Linda bleef even verontwaardigd staan. ‘Hoe kan je daar nu tijd voor hebben?’ dacht ze.

Op dat moment zei het kind: ‘Mevrouw, je moet naar de dokter. Je knie bloedt.’ Linda keek naar haar knie en zag dat het kind gelijk had. Maar naar de dokter? Nee, dat paste niet in haar planning. Als ze nu wat voortmaakte, kon ze nog even…

Maar ’s avonds voelde Linda zich niet goed. Ze dacht aan de woorden van de bakker: ‘Het lijkt wel een ziekte!’, had hij gezegd. Linda zag het beeld van het kind weer voor zich, hoe traag hij het ijsje had laten smelten zonder er zich druk in te maken. Linda woelde in haar bed. Ze wou slapen want morgenvroeg wou ze nog vlug even… Het voelde niet goed. Linda besefte dat het niet goed ging met haar.

’s Morgens maakte ze een afspraak met de dokter. Ze zorgde dat ze de eerste patiënt was, want dan kon ze daarna nog vlug even…
De dokter luisterde naar Linda en observeerde haar zenuwachtige handelingen en haar snelle, korte zinnen. Hij zag hoe ze zelfs niet de tijd nam om regelmatig te ademen. Tijdens het gesprek had ze haar portemonnee al klaar zodat ze geen tijd zou verliezen met betalen, want na deze visite moest ze nog even…

De dokter keek naar Linda en stelde zijn diagnose. Hij wachtte tot Linda uitgeraasd was, haalde diep adem en zei: ‘Linda, ik weet wat er met je scheelt. Je bent heel erg ziek.’ Linda had geen tijd voor praatjes en zei: ‘Zeg het maar vlug, dokter, want ik moet nu nog even…’

‘Wel, Linda, dat is nu net het probleem. Jouw ziekte is dat je de ‘L’ niet gebruikt!’ Linda was uit haar lood geslagen. Wat was dat nu voor een ziekte? Daar had ze nog nooit van gehoord. En weet je? Ze had er ook geen tijd voor.
‘Wat bedoelt u, dokter? Zeg het me vlug, want ik moet snel nog even…’
De dokter onderbrak haar abrupt.
‘Je doet het weer, Linda. Je vergeet de ‘L’.
Er is maar één remedie voor jouw ziekte, Linda. Je moet heel precies doen wat ik je nu voorschrijf, anders gaat het grondig met je mis.
De ‘L’ is heel belangrijk in jouw herstel. Je moet altijd de ‘L’ voor ‘even’ zetten. Altijd. Wat je ook doet of denkt.’


Linda betaalde haastig. Ze knikte naar de dokter, om te laten zien dat ze het begrepen had. Snel liep ze het kabinet uit. Ze mompelde in zichzelf: als ik nu voortmaak, dan kan ik nog even… Maar toen besefte ze wat de dokter haar opgedragen had. Ze veranderde haar zin: als ik nu voortmaak, dan kan ik nog ‘l’even…