Er veranderde niets, we lagen daar maar te liggen. Wachten. Eindeloos wachten. Uren, dagen of waren het weken en maanden?
Heel af en toe werden we wild door elkaar geschud. Dan stond alles op zijn kop. Iedereen viel door elkaar. Op dat moment was dat niet prettig, maar het voordeel was dat je achteraf wel zeker iemand anders naast je had. Dat brak de sleur. We konden elkaar niet zien, want het was er altijd donker. Maar nieuwsgierigheid kenden we niet. We wisten dat we er allemaal ongeveer hetzelfde uitzagen.
Toen, eindelijk, toen veranderde er iets. We werden weer door elkaar geschud. Maar deze keer was het anders. We voelden hoe we opgepakt werden en hoe we even zweefden om vervolgens met een klap op een harde ondergrond terechtkwamen. Kort daarna beleefden we dit nog enkele keren: opgepakt worden en neergelegd. Na een tijdje was het weer rustig. We hoorden stemmen. Soms hoorden we muziek. Het bleef donker. Het wachten was weer begonnen.
Dan gebeurde het: fel licht omringde ons en grabbelende vingers rukten bruusk mijn buurvrouw weg. Onmiddellijk daarna werd het weer donker. Weer die stemmen, die rustig en lief klonken.
Zo ging het door, tot we nog maar met drieëntwintig overbleven. We stelden ons geen vragen. We wachtten gelaten af en zouden wel zien wat ons lot voor ons in petto had.
Plots werd ik weggegrist. Smalle, sierlijke vingers namen me vast aan mijn voeten en droegen me mee naar een grote houten tafel. Er zat een man aan. Hij glimlachte. De vrouw hield de doos waarin ik zo lang gevangen gezeten had dichterbij en streek vastberaden en hard met mijn hoofd tegen de doos. Dat was mijn lot! Ik stond in vuur en vlam. De kaars die ik met mijn vuur aangestoken had, likte tevreden mijn wonden...
