maandag 19 januari 2015

Wie niet horen wil...



Marnix had honger. Weeral. Of beter: nog steeds. Hij liep zenuwachtig op en neer, op zoek naar iets eetbaars. Het was een barre winter, zoals het wel vaker is in het noorden van Amerika. Het rondlopen hield hem wel warm, maar hij verbruikte zo ook meer energie waardoor zijn buikje nog meer rammelde.

Hij liep van de schuur naar het woonhuis. Meestal waagde hij zich daar niet meteen. De boerin hield niet van muizen en had altijd wel een bezem in de aanslag. Nu kon hij niet anders.

Voorzichtig sloop Marnix binnen, liep langs de muur en vond daar een gaatje waar hij uit het zicht zat. Hij besloot er even te rusten en zich wat te warmen. Hij hield de vrouw in de gaten. Ze zat rustig aan de kachel te breien en vormde niet meteen een gevaar. Marnix keek rond. Hij zag niets waarmee hij zijn honger kon stillen. Een beetje verder was de keuken, maar dan zou hij wel heel erg in het zicht lopen. Het was beter om eventjes te wachten. Door de warmte verslapte zijn aandacht. Hij voelde hoe zijn oogjes langzaam dichtvielen, hoe hard hij ook zijn best deed om alert te blijven.

Plots werd hij opgeschrikt door het verschuiven van een stoel. Zijn ademhaling versnelde en hij probeerde zich nog dieper in het gaatje van de muur weg te duwen. Met grote stappen liep de boerin door het huis. Ze ging naar de muur en trok een blaadje van de kalender af. Het dwarrelde op de grond. 19 januari 1921, stond er op. Marnix kon het goed zien want het papiertje was maar op enkele centimeters van hem terechtgekomen. De vrouw bukte zich en raapte zuchtend het briefje op. De muis hield zijn adem in. Zou ze hem ontdekken? Zijn hart ging wild tekeer en zijn maag knorde oorverdovend luid…
Het blaadje werd in haar hand verfrommeld tot een propje. Ze liep naar de kachel en smeet het er in. Daarna ging ze aan het raam staan. Haar echtgenoot kwam net het erf opgewandeld.

‘Eindelijk!’, zei ze.
Een koude wind waaide door het huis toen hij binnenkwam. Hij had een rode neus en rode handen. 
‘Heb je het bij?’, vroeg ze. 
Hij knikte en legde een pakje op de tafel. De vrouw maakte het open terwijl de muis nieuwsgierig al haar handelingen volgde. Zou er eten in zitten?
Maar het was geen eten. Het was iets verschrikkelijks. Dat waar Marnix altijd voor gewaarschuwd was. Een moordmachine. Een muizenval!
‘Ik zet ze meteen in de keuken. Die smerige rotbeesten gaan er aan.’, mompelde ze.

Marnix voelde zich niet meer veilig. Hij moest hier weg. Zo snel mogelijk. Hij greep zijn kans toen de bewoners van de boerderij in de keuken stonden. Muisstil glipte hij naar buiten en ging terug naar de schuur. Onderweg verwittigde hij iedereen die hij tegenkwam, zo overstuur was hij van het nieuws.

De kippen scharrelden ongeïnteresseerd verder. Een grote, witte hen kakelde.
‘Maar Marnix toch’, zei ze. ‘Dat kan ons toch niets schelen? Daar hebben wij geen last van, hoor!’
Het varken kwam naar Marnix en zei:
‘Ach Marnix, dat vind ik zo erg voor jou.
Jammer genoeg kan ik niets voor je doen.
Ik hoop alleen maar dat de muizenval jou niet te pakken krijgt.
Nog een fijne dag’, knorde hij er nog achteraan en ging verder met wat hij bezig was.
Het muisje liep naar de koe en verkondigde ook aan haar het vreselijke nieuws. De koe kauwde onverstoord verder.
‘Heb je me niet gehoord?’, vroeg Marnix.
‘Er is een muizenval in het huis!’
Terwijl ze geïrriteerd met haar staart zwiepte, loeide ze:
‘Het zal me worst wezen, muis. Ik ben toch te groot voor een muizenval. Daarbij: ik kom nooit in het huis.’

Terneergeslagen ging Marnix naar zijn holletje in de schuur. Waarom vonden ze dit niet belangrijk? Er stond een moordmachine in hun buurt en toch leek het niemand te interesseren.

Die nacht sneeuwde het. Het was muisstil. Maar de stilte werd ineens doorbroken door een harde, droge klap. De boerin schoot wakker en glimlachte. De val had zijn werk gedaan! Ze kwam uit bed en ging kijken naar haar eerste slachtoffer. In het halfduister reikte ze naar de val. Dat had ze beter niet gedaan. Er zat geen muis in, maar wel een slang. Die zat met zijn staart vast, maar dat weerhield hem niet om zijn giftige tanden in de hand van de vrouw te zetten. Een paar uur later vond haar man haar bewusteloos en onderkoeld. Hij spoedde zich om de dokter te halen. Veel kon hij niet doen. De boer moest afwachten en hopen dat ze het gif zou overwinnen.

Al snel kreeg ze koorts. De dokter raadde verse kippensoep aan. Dus ging de boer naar de schuur en ving een grote, witte kip. Vrienden en buren kwamen hem bijstaan. Zijn zus maakte soep en lepelde die geduldig in de mond van de zieke boerin. Maar ze werd niet beter.
Er was altijd iemand bij haar. Men loste elkaar af om de boer te helpen, de boerderij draaiende te houden en om voor de doodzieke vrouw te zorgen. De boer was blij met deze hulp, maar had daardoor ook heel wat extra monden te voeden. Hij kon niet anders dan het varken te slachten. Zo gebeurde dan ook.
Een paar dagen later stierf de vrouw. Er kwamen veel mensen naar haar begrafenis en weer zag de boer zich verplicht om voldoende eten te voorzien. Hij slachtte de koe en had zo genoeg voedsel voor iedereen.

Marnix had dit alles van op een afstand gevolgd. Het maakte hem droef. Niet zozeer omdat de boerin gestorven was, maar wel omdat men niet naar hem geluisterd had. Had hij niet duidelijk genoeg verwittigd? Had hij niet luid genoeg gepiept dat er een muizenval in het huis was? Ze vonden dat het hun probleem niet was en ze hadden zijn waarschuwing in de wind geslagen.
‘Het gaat ons niet aan’, hadden ze gezegd.
‘Daar hebben wij toch geen last van’, was hun commentaar.
‘Daar moeten wij niet bang voor zijn’, zeiden ze.

Marnix schudde zijn kleine kopje. Hij had hen gewaarschuwd. Meer had hij niet kunnen doen. Hij spurtte door de sneeuw naar het woonhuis en ging op zoek naar iets eetbaars…





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reactie krijgen op een schrijfsel is het teken dat je gelezen wordt! Dank je wel hiervoor!