Er was eens, nog niet zo heel lang geleden, een kraai. Hij leidde zijn leventje, zoals de andere kraaien, maar op een dag kreeg hij een doorn in zijn poot. De kraai vloog naar het dorp en ging in de opening van het raam zitten. Daar trok hij heel voorzichtig de doorn uit zijn poot. In het huis zat een oude vrouw. De kraai vloog naar haar toe en kraste: “Moedertje, bewaar deze doorn goed voor mij!” De kraai hupte terug naar het raam en vloog weg. De vrouw keek naar de doorn in haar hand, stond op en legde hem op het randje boven de open haard. Ze wachtte een dag, maar de kraai kwam niet. Ook de volgende dag kwam de kraai niet terug. Enkele dagen later wou de vrouw ’s avonds haar olielamp aansteken. Maar toen ze de pit aanraakte, zakte die in de olielamp. Het vrouwtje keek rond, op zoek naar iets waarmee ze de pit omhoog kon halen. Haar blik viel al vlug op de doorn. De kraai kwam toch niet meer terug, dacht ze, dus ze nam de doorn en stak die in de pit. Maar op dat moment vloog de doorn in brand. De vrouw zette verschrikt een stapje achteruit. Achter haar hoorde ze gefladder. Daar was de kraai!
“Dag moedertje”, zei hij, “wilt u mij de doorn teruggeven?” De vrouw legde uit wat er net gebeurd was en hoe spijtig ze het vond. Maar de kraai had er geen oren naar. “Ik wil mijn doorn hebben!” krijste hij. Hij ging op de vensterbank zitten en begon oorverdovend te roepen: “Of de doorn, of de lamp. Of de doorn, of de lamp. Of de doorn, of de lamp…” Het oude vrouwtje kon het niet meer aanhoren. Ze was moe van het gekrijs en gaf haar olielamp aan de kraai. De vogel vloog weg met de lamp en streek vervolgens neer bij het volgende huis in het dorp. Ook daar zat een oud vrouwtje.

“Moedertje, wilt u deze koe voor mij bewaren? Ik kom ze later ophalen” vroeg hij. Het vrouwtje zei dat ze dat wel wilde doen. Ze wachtte een dag, nog een dag en nog een dag, maar de kraai kwam niet terug. De volgende dag was het de bruiloft van haar zoon. Omdat het oude vrouwtje het niet breed had, besloot ze de koe te slachten en er zo een echt feest van te maken. Zo geschiedde. Ze slachtte de koe en begon aan de lekkerste gerechten voor haar gasten. Het werd een mooie bruiloft en de gasten hadden alles opgegeten. Toen vloog de kraai binnen. “Moedertje, geef mijn koe terug!” zei hij. Het vrouwtje legde uit dat ze dacht dat de kraai niet zou terugkomen en dat ze de koe geslacht had voor de bruiloft. Maar daar had de kraai geen oren naar. “Ik wil mijn koe hebben!” krijste hij. Hij ging op de vensterbank zitten en begon oorverdovend te roepen: “of de koe, of de bruid. Of de koe, of de bruid. Of de koe, of de bruid…” Het oude vrouwtje en de gasten kon het niet meer aanhoren. Ze waren moe van het gekrijs en met pijn in hun hart gaven ze de jonge bruid aan de kraai. De vogel vloog weg en bracht de bruid naar de bergen.
Onderweg kwam hij een herder tegen. Die zat een vrolijk deuntje te spelen op een fluit. “Herder, geef mij jouw fluit, dan krijg jij deze bruid”, zei de kraai. De herder keek naar de jonge vrouw en knikte instemmend. Het was een mooi meisje en hij vond het een goede ruil. Zonder aarzelen gaf hij het muziekinstrument aan de kraai en nam het meisje bij de hand.
De kraai nam de fluit en begon te zingen en te fluiten. Hij zong en zong, altijd maar weer hetzelfde liedje. Als je een kraai ziet, en je luistert goed, zal je horen dat hij dit liedje zingt, altijd maar weer:
“Duteru, duteru, duteru,
ik heb de doorn gegeven
en de lamp gekregen.
Duteru, duteru, duteru,
ik heb de lamp gegeven
en de koe gekregen.
Duteru, duteru, duteru,
ik heb de koe gegeven
en de bruid gekregen.
Duteru, duteru, duteru,
ik heb de bruid gegeven
en de fluit gekregen.
Duteru, duteru, duteru…”
(vrij naar een Turks sprookje)