zaterdag 12 januari 2013
woensdag 9 januari 2013
Tijd
Tijd
De kraaien roepen me.
Ze verkondigen mijn einde
met beloftes van rust en stilte,
en een warm omhulsel
zonder vragen.
De kraaien roepen me,
luider en luider
met beloftes van verademing,
en een veilige nacht
zonder dromen.
De kraaien roepen me,
dwingend en overtuigend
met beloftes van zielenrust,
en een nooit eindigende,
bodemloze slaap.
De kraaien roepen me.
Het is niet dat ik ze wil horen
maar het roepen maakt me moe.
Het oorverdovende breekt me.
Het is niet dat ik ze wil horen
maar het roepen maakt me moe.
Het oorverdovende breekt me.
Het is tijd om te gaan.
woensdag 12 december 2012
Kruimels
Ze ontbijt tussen de kruimels van de pizza van
gisteren. Langzaam kauwend op het oude brood, staart ze naar het versleten
tafelkleed. Nog maar eens wordt ze doordrongen van het gevoel van onmacht. Ze is
ongelukkig. Erg ongelukkig. Nu de kinderen weg zijn toch.
Gisteren zag ze het versleten tafelkleed niet,
zag ze geen stapel rekeningen en de lege koelkast viel niet op. Het vrolijk
gekwetter van de kinderen vulde toen het huis.
Ze beneed hun eeuwige optimisme, hun nooit
ophoudende drang om te relativeren. Uren kon ze naar hen kijken. Haar kinderen
maakten haar gelukkig. Maar als ze weg waren, zoals nu, was het te zwaar. Dan woog
de leegte. Ze miste het bruisend leven, de spontane
knuffels, zelfs de rondslingerende sokken.
De eenzaamheid was van een immense grootte, haalde
haar schouders naar beneden en liet zich zelfs fysiek voelen in een massieve
druk in haar borstkas. Eenzamer dan dit kon ze niet worden.
Ze legde haar hand op tafel en spreidde haar
vingers. Vijf vingers. Vijf dagen. Dan kwamen ze terug. Dan zou de koelkast nog
even leeg zijn, zou de stapel rekeningen wat aangegroeid zijn, maar zouden de
kinderstemmetjes de ellende weer even verhullen. Nog vijf vingers.
Ondertussen hield ze zich krampachtig vast aan
de achtergebleven kruimels op het versleten tafelkleed.
donderdag 6 december 2012
Ritueel
Elke morgen
zit ze daar. Ze stapt een halte na mij op. Met fijne stapjes gaat ze naar de
plaats net achter de buschauffeur. Ze rijdt tegen de rijrichting in. Ik zit op
de achterste rij en kijk haar recht aan. Ik ken haar niet en dat hoeft ook
niet. Als ze neerzit, doet ze de rits van haar jas een klein beetje open. Haar
nek wordt bevrijd van de dikke, wollen sjaal. Ze legt hem op haar schoot.
Vervolgens neemt ze haar grote schoudertas. Ze kucht even, doet de tas open en
haalt er een pakje zakdoekjes uit. Bijna onhoorbaar snuit ze haar neus en bergt
het zakdoekje in haar jaszak op. Een tweede zakdoekje komt tevoorschijn. Ze ontvouwt het helemaal en plooit het dan weer netjes in vieren. Ook dat komt op haar
schoot terecht. Opnieuw gaat haar hand in haar tas. Ze neemt er een thermostas
uit. Het metaal blinkt zacht en weerspiegelt in het raam. Nog voor ze het
deksel van de thermos los draait, zie ik hoe ze nu al geniet. De randjes van het ding zijn afgewerkt met paars plastic. Ze legt haar vingers er liefdevol rond.
Heel eventjes speelt ze met het touwtje en het theelabeltje dat over de rand
bengelt.
Ik merk hoe ze een klein zuchtje laat ontsnappen en zich dan voorbereidt op het voorzichtig nippen van haar thee. Het aftasten van de warmte ervan, of
de thee dezelfde smaakt heeft als gisteren en de dag ervoor. Ze kijkt eerst nog
even naar buiten, droomt wat weg. Ze ziet niets, het is nog te donker buiten.
Of kijkt ze naar haar weerspiegeling in het raam? Ik doe dat in ieder geval
wel. Zo kan ik naar haar kijken, zonder dat zet het merkt. Dan ontmoeten onze
blikken elkaar. Via de reflectie in het raam. Elke dag opnieuw.
Schaamteloos
blijf ik haar zo aanstaren. Eigenlijk is het bluf: zij weet niet zeker of ik
naar haar kijk of gewoon door het raam. Maar dat is misschien ook wat zij
denkt? Het interesseert me niet. Ik kijk alleen maar. Haar ritueel wordt een
beetje het mijne. Ze drinkt haar thee, op de bus. Uit een fonkelnieuwe
thermostas, zilver blinkend met paarse accenten. Na elke slok laat ze haar handen rusten
op het zakdoekje.
Hoe het
ritueel verder gaat, weet ik niet. Mijn halte komt eraan en ik weet dat zij dan
nog geen aanstalten maakt om af te stappen. De rits van haar jas blijft
lichtjes openstaan, de sjaal blijft op haar schoot liggen. Er komt een dag dat
ik op die bus blijf zitten, tot zij afstapt. Dan zal ik weten of haar thee
helemaal op is. Zou ze nog wat doen met dat zakdoekje? Enkel de fijne stapjes
die ze zal nemen om van de bus af te stappen, daar ben ik zeker van. Die kan ik
me levendig voorstellen. Als ze dan van de bushalte wegwandelt, zal ik haar
nakijken, tot ze uit het zicht verdwenen is. Als ik me omdraai, zal ik naar
haar lege plaats in de bus staren en dan naar het raam. Misschien vang ik nog
een glimp op van haar reflectie in het glas, of van de weerspiegeling van haar
thermostas.
Een droog
belletje haalt me uit mijn gedachten. Hier is mijn halte. Ik rits mijn jas toe
en stap af. Als de bus wegrijdt, kijk ik eventjes achterom. Ik zie hoe ze me
nakijkt. Ze nipt van haar thee. Ze geniet. Ik neem me voor om morgen op de bus
te blijven zitten. Of overmorgen. Of misschien ook niet.
woensdag 7 november 2012
Kersen
Ze klom
behoedzaam de ladder op. Voetje voor voetje. Als je 76 bent, doe je die dingen
wat trager. Maar Rachel deed het. Bijna elke maand. Ze hield haar huisje graag
proper en de ramen lappen hoorde daar ook bij. Richard, haar man, was er niet
meer mee akkoord. Hij was twee jaar ouder. Voor hem hoefde het niet meer zo.
Hij zag niet erg goed meer, dus een vuiltje op de ramen stoorde hem totaal
niet. En wat de mensen van zijn ramen dachten, daar had hij lak aan.
De laatste tijd was Richard vooral moe. Hij
droomde vaak weg en ontglipte zijn dagelijkse bestaan. Dan zag hij beelden uit
zijn jeugd. Vroeger kwam zo terug en dat maakte Richard gelukkig. Wat Rachel
dan ook zei, het drong niet tot hem door. Hij klampte zich vast aan die
beelden, hij zoog ze op, liet zich er helemaal van doordringen.
Rachel zette haar voet op de volgende sport van de
ladder. Haar knokige vingers omklemden krampachtig het metaal. Ze pufte even.
Het was een hele karwei. Gelukkig was ze bijna klaar. Dan zou ze thee zetten en
zouden ze samen een kopje drinken, aan de tafel bij het raam. De koekjesdoos
mocht ook op tafel. Dat zou ze wel verdiend hebben.
Richard stond naast de ladder. Zijn linkervoet
stond op de onderste sport en zijn twee handen hielden de zijkanten vast. Zo
deden ze dat al jaren. Zij lapte de ramen. Hij hield de ladder vast. Daarna
dronken ze thee, aan de tafel bij het raam. Met een koekje. Maar Richard zijn
gedachten waren niet bij de ramen, zelfs niet bij de koekjes. Richard droomde
weg.
Tien jaar was hij die zomer. Een heerlijk, warme
zomer waar geen eind aan leek te komen. Hij liep met zijn broers tussen de
ladders door. De boomgaard geurde heerlijk naar rijpe kersen. Ze waren al dagen
aan het plukken. De jongens dolden wat, holden van boom naar boom, joelden en
speelden zoals jongens van tien jaar doen. Richard haalde zijn voetbal.
Doelmannen werden aangeduid en de bomen fungeerden als doelpalen. Het was een
zorgeloze tijd. De Richard van nu was weg, hij stond daar wel met zijn handen
om de ladder, in de straat waar hij al meer dan de helft van zijn leven met
Rachel woonde. Maar toch was hij er niet. Hij voetbalde, ongeveer 68
jaar geleden, in de boomgaard van zijn vader. Richard sloot zijn ogen. Plots
was daar ook die geur van toen, de geur van kersen in de zomer, van spelende
jongens met fruitvlekken op hun handen, van hoog gras en de houten ladders die
tegen de bomen leunden.
Rachel nam haar zeem en spons en ging zorgvuldig
te werk. Ondanks de inspanning genoot ze er ook van. Het was bijna een ritueel.
Nog even de randjes droogvegen en ze was klaar. Klaar voor thee met koekjes.
Het enige waar ze wat tegenop keek, was de terugkeer naar de begane grond.
Afdalen van de ladder was echt moeilijk geworden. Haar heupen stroefden en haar
evenwicht leek soms het noorden kwijt. Gelukkig stond Richard daar en hield hij
de ladder stevig vast.
Ver weg, verdwaald in de geuren van zijn
kindertijd, zag Richard hoe de bal veel te hoog ging, na een harde uittrap.
Vader had hen zo vaak gewaarschuwd en nu was het zo ver: de bal ging de boom in
en bleef in de takken hangen. Richard sloeg met zijn handen tegen zijn hoofd.
Nee! Zijn bal, zijn lievelingsbal...
Rachel zette haar voet een trapje lager, klaar om
naar beneden te gaan. Ze voelde de ladder wat wankelen en riep naar Richard dat
hij ze goed moest vasthouden.
Maar Richard was niet hier. Hij was tien jaar.
Zijn bal zat vast in een boom. Het was zijn lievelingsbal. Richard nam de
ladder die tegen de kersenboom leunde, duwde die onder de tak en schudde ermee.
Zo hard als hij kon. Zijn handen omklemden het metaal. Een jongen van tien is
sterk als hij zijn voetbal uit de boom wil schudden. Dus schudde Richard harder
en harder. Zo hard hij kon. De ladder ging heen en weer en Richard stopte pas
toen hij naast zich een droge plof hoorde.
De ramen waren gelapt. Richard had zijn bal terug.
Maar koekjes met thee zouden er vandaag niet zijn.
woensdag 26 september 2012
Bittere zes
(Let op: dit is een vervolgverhaal. Lees eerst de vijf vorige!)
Ik stormde door de gang, door de inkomhal, naar niets of niemand omkijken. Woede had me overmeesterd. Mijn ademhaling ging snel en oppervlakkig. Ik wist zeker dat het kloppen van mijn hart hoorbaar was tot op de eerste verdieping, waar Toms kantoor was. Met veel te grote stappen kwam ik bij mijn auto. Mijn hand trilde zo erg dat het even duurde voor ik de sleutel in het contact kreeg. De auto startte en ik zette hem in achteruit. Zo snel mogelijk weg hier, dat was het enige dat ik dacht. Toen ik bijna aan de uitrit van de parking was, zag ik hem staan. Tom.
Ik stormde door de gang, door de inkomhal, naar niets of niemand omkijken. Woede had me overmeesterd. Mijn ademhaling ging snel en oppervlakkig. Ik wist zeker dat het kloppen van mijn hart hoorbaar was tot op de eerste verdieping, waar Toms kantoor was. Met veel te grote stappen kwam ik bij mijn auto. Mijn hand trilde zo erg dat het even duurde voor ik de sleutel in het contact kreeg. De auto startte en ik zette hem in achteruit. Zo snel mogelijk weg hier, dat was het enige dat ik dacht. Toen ik bijna aan de uitrit van de parking was, zag ik hem staan. Tom.
Zijn hemd was weer netjes
dichtgeknoopt. Hij stak zijn handen omhoog om aan te geven dat ik moest
stoppen. Ik lachte minachtend. Hij zou me niet tegenhouden. Toch zette hij
kordaat een stap opzij, zodat hij mijn doorgang versperde. Ik gaf een vinnige
ruk aan het stuur en ontweek hem. Het was een reflex. De auto op de hoek van de
parking kon ik niet meer ontwijken. Ik hoorde een schurend geluid. Het interesseerde
me niet. Ik hoopte uit de grond van mijn hart dat het de auto van Sofie was!
In de spiegel zag ik hoe Tom
ontredderd keek. Van mij naar de brokstukken en terug. Hij liet zijn armen
zakken. Hij besefte nu wel dat hij me niet kon stoppen.
Waar moest ik naar toe? Naar huis?
Naar een vriendin, om uit te huilen? Naar Bart? Bart… neen, zeker niet naar
Bart. Ik wist het niet meer, voelde me zo verloren, maar vooral erg eenzaam. Mijn
hoofd was te vol, er zat teveel in en er was geen plaats meer op overschot. Mijn
fundamenten waren hierop niet voorzien. Het zou niet lang meer duren voor de
kleine barstjes scheuren werden en dan zou alles verzakken. Of erger nog:
instorten.
Hoe lang reed ik rond? Geen idee.
Het was ook niet belangrijk. Gelukkig was ik wel wat rustiger geworden. De razende
woede was wat weggeëbd maar had een bittere nasmaak achtergelaten. Het smaakte
zoals het restje uit een theekopje, waarin Earl Grey gedronken was.
Het autorijden gebeurde op
automatische piloot. Ik voerde alle handelingen uit zonder er bij na te denken.
Dat zou ook niet meer gelukt zijn: er was al meer dan genoeg om over na te
denken… Ik was bijna thuis. Ook daar had ik niet over nagedacht, het gebeurde
gewoon. Thuis was de enige plek waar ik naar toe kon gaan. Naar huis en naar
mijn fleecedekentje.
Net voor ik het kruispunt
opreed, speelde ‘ons liedje’ op de radio. Het favoriete nummer van Tom, waarop
we zo vaak gedanst hadden. Ik voelde zijn armen plots om me heen en wist dat
hij, aan het eind van het liedje, ‘ik hou van je’ zou fluisteren in mijn oor.
Tranen welden op en vertroebelden mijn zicht. Ik barstte uit in luid, bijna
dierlijk, gehuil. Zonder nadenken, zonder opletten, reed ik door. Dat het
verkeerslicht voor mij op rood stond, had ik niet gezien…
woensdag 5 september 2012
Bittere vijf
(Let op: dit is een vervolgverhaal. Lees eerst de vier vorige!)
Ik rende naar huis. Het kon
niet snel genoeg gaan. Boosheid joeg me op, achtervolgde me en ik holde sneller
en sneller. Thuisgekomen plofte ik in de zetel, nam een fleecedekentje en
wentelde me in zelfmedelijden.
Er
kwamen tranen. Tranen van woede, van ontgoocheling. Met de tranen kwam ook het
besef dat ik het recht niet had om boos te zijn. Bart had geen verplichtingen
tegenover mij. Hij was de vrijgezel. Ik was de getrouwde moeder. Mijn boosheid
op hem sijpelde met mijn tranen weg uit mijn hoofd. Maar toch was ze niet weg.
Nu was ik vooral boos op mezelf.
Ik
nam een besluit. Het was nu meer dan genoeg geweest. Geen geflirt meer, geen
verboden dromen, geen geniepig gedoe meer. Ja, dat voelde goed zo! Ik rechtte mijn
rug, droogde mijn tranen, gooide het dekentje aan de kant en stond op. Mijn
huwelijk was veel belangrijker dan deze spielerei.
Een
idee popte ineens op. Ik dacht er eventjes over na: het was elf uur, dus de
timing was perfect. Ok, actie! Een snelle douche, een vleugje parfum en een
streepje make-up. Ik was tevreden met het resultaat. Ondanks de vreselijke
voormiddag zag ik er goed uit. De boosheid was met het douchewater weggespoeld
en zelfzekerheid had het plaatsje ingenomen.
Zelfs
de zoektocht naar mijn autosleutels verliep goed. Meestal moest ik lang zoeken
en mijn handtas helemaal omkieperen. Maar nu lagen ze gewoon op de keukentafel.
Alsof het zo moest zijn. Het bevestigde dat mijn idee goed was. Met de sleutels
in de hand en een stralende glimlach op mijn gezicht, trok ik de deur achter me
dicht.
Het
zou niet lang duren voor ik op het kantoor van mijn man was. Dan was het
lunchtijd. Tijd genoeg om hem mee te nemen naar dat kleine, fijne restaurant in
de buurt. Champagne en oesters... Of zou dat op een doordeweekse dag te
decadent zijn? Ik had in ieder geval iets te vieren, maar dat kon ik hem
uiteraard niet vertellen. Mijn man hield wel van dit soort verrassingen.
Ik
parkeerde mijn auto. Toen ik de sleutels in mijn handtas stak, ging mijn telefoon
af. Een berichtje van Bart. "Vanavond thuis?" las ik. Ik wiste het
meteen en twijfelde even of ik mijn man zou verwittigen van mijn komst.
Misschien zat hij net in een belangrijke vergadering en kwam ik wel erg
ongelegen? Ach, daar waren de twijfels weer. Vlug schudde ik ze van me af. Ik
zou hem verrassen. Dat was het plan. En dat was het leukst.
Het
was lang geleden dat ik nog op het bedrijf geweest was. Tussen de vertrouwde
gezichten zag ik ook vele nieuwe personeelsleden.
"Kan
ik u helpen, mevrouw?" hoorde ik. Een vriendelijke jongeman had me
aangesproken. Ik bedankte hem en zei hem wie ik was en dat ik de weg in het
bedrijf wel kende. Hij knikte en staarde me maar wat aan. Hij wist blijkbaar
niets meer te zeggen.
Ik
nam de lift, wachtte op het droge geluid van het belletje en liet me naar boven
brengen. Een paar passen verderop in de gang was zijn kantoor. Vlug checkte ik
mijn kapsel, trok mijn blouse en rok recht, klopte aan en stapte meteen naar
binnen.
"Hallo!"
zei ik vrolijk. Hij zat niet aan zijn bureau. Ik keek even opzij. Er stond een
grote fauteuil met wat kleine clubs, netjes geschikt rond een design tafel.
"Joehoe!" riep ik nog eens.
Ik
zag zijn hoofd verschijnen. Het kwam piepen over de rand van de lederen zetel.
Een fractie van een seconde vond ik dat grappig, maar de blik in zijn ogen
schudde me door elkaar en nagelde me aan de grond. "Tom?" vroeg ik.
Zijn hoofd bleef daar zo staan. Onbeweeglijk. De rest van zijn lichaam bleef
verborgen achter de rugleuning. "Tom?" herhaalde ik en ik stapte
dichterbij. Hij hield zijn hand afwerend omhoog. "Ik ... ik, het..."
Een
tweede hoofd verscheen. Het hoofd van Sofie, zijn secretaresse. Ik stond
perplex en geraakte in ademnood. Sofie knoopte haar blouse dicht en schikte
haar haar.
"Klootzak!"
riep ik. Ik draaide me om, sloeg de deur zo hard als ik kon dicht en stapte met
grote, boze stappen naar buiten. Ik voelde de blikken van de vriendelijke
jongeman in mijn rug. Nee, hij kon me niet helpen...
Abonneren op:
Posts (Atom)





