vrijdag 3 januari 2014

Mevrouw Plissart de Maisières


Mevrouw Plissart de Maisières was wat je noemt een vaste waarde. Elke dag deed ze statig en parmantig haar wandelingetjes rond de vijvers in het park. Ze werd daarbij begeleid door Diva, haar hagelwitte Maltezer. Diva had elke dag een perfect kapsel, de haren werden uit haar ogen gehouden door een roze strik die afgebiesd was met een fijn gouden draadje.

Ook mevrouw Plissart de Maisières maakte veel werk van haar coiffure en kleding. Ze was zo het type dat zelfs de 3 meter naar haar brievenbus niet aflegde zonder dat ze helemaal opgemaakt was. Haar buren zouden over haar nooit iets kunnen zeggen, daar zorgde ze wel voor. Pantoffels waren voor gebruik binnenshuis. Ze wenste elke morgen dat andere mensen daar ook zo over dachten, zeker als ze haar buurman zag. Hij haalde de krant uit zijn brievenbus zonder zich zelfs maar te scheren.

Ergens ver weg, had ze nog wat adellijk bloed stromen. Heel precies wist ze het niet, het was een verre oom of groottante, maar dat het echt blauw bloed was, dat stond buiten kijf. Ze voelde dat elke dag en ze was er ook van overtuigd dat ze dat uitstraalde. Haar man, die veel te jong gestorven was, had het hier niet altijd gemakkelijk mee gehad. Ze begreep wel dat het niet eenvoudig was om plots het voorrecht te hebben om getrouwd te zijn met een dame van goede komaf, maar ach, die arme man had echt wel zijn best gedaan.

Mevrouw Plissart de Maisières,  waarvan niemand haar voornaam wist, had routine in alles. Wat er in haar huis gebeurde, daar had iedereen het raden naar. Maar er ging geen dag voorbij zonder haar dagelijkse wandelingetjes en haar kopjes thee in Brasserie Saint-Paul. Ze zat zo goed als elke dag aan hetzelfde tafeltje en nipte heel gedistingeerd van haar Engelse thee. Als haar plekje bezet was, keek ze vol minachting neer op diegenen die het gewaagd hadden haar gewoontes zo schaamteloos te doorbreken. Ze was er dan ook van overtuigd dat deze mensen dat met opzet deden. Een adellijke dame beheerst zich echter en laat hoogstens met een neerbuigende blik haar afkeer zien. Misnoegd ging ze dan aan een ander tafeltje zitten, maar de thee smaakte die dag niet.

Die ochtend was anders dan de anderen. Toen mevrouw Plissart de Maisières de post had uitgehaald en zuchtend haar ongeschoren buurman op zijn pantoffels begroette, vond ze een brief van de notaris. Hoewel ze erg nieuwsgierig was, stapte ze –of moeten we zeggen ‘schreed’?- de twee treden naar de voordeur op, sloot de deur, legde de krant op de hoek van de tafel en nam ze haar zilveren brievenopener. Haar ogen gleden vlug over de tekst. Ze ging er even bij zitten. Haar notaris liet weten dat ze van een verre, eerder onbekende oom, een bijzonder mooie erfenis kreeg. Mevrouw Plissart de Maisières had op financieel vlak niets te kort, maar hier schrok ze toch wel even van. Haar hondje merkte het en zat nieuwsgierig en kwispelend voor haar. Ze keek het beestje aan en kreeg een verwachtingsvol ‘kefkefwoef’ te horen. Dat deed haar beseffen dat ze al een minuut geleden had moeten vertrekken voor haar wandeling.

Toen ze plaatsnam aan haar tafeltje in Brasserie Saint-Paul viel haar oog op de menukaart. Zou ze het er vanavond eens van nemen? Zou ze zich aan een uitspatting wagen en na de avondwandeling hier iets komen eten? Ze schrok meteen van deze ietwat excentrieke gedachte, maar ze vond ook dat ze het zich wel kon veroorloven.

Zo geschiedde. Mevrouw Plissart de Maisières had wel vijf keer haar kapsel en dat van Diva geschikt. Voor de gelegenheid had ze zich wat extra opgemaakt. Ze had tenslotte iets te vieren en dan moest je er toch voor zorgen dat je er stralend uitziet? Ze sloeg haar bontmantel om en controleerde of ze de deur goed op slot had gedaan. Diva verwachtte het dagelijkse wandelingetje, maar ging gelukkig gewillig mee binnen. De kelner was wat verrast, normaal kwam mevrouw Plissart de Maisières een uur vroeger. Het personeel van Brasserie Saint-Paul had al grapjes gemaakt over haar laatkomen. Met een uitgestreken gezicht nam de kelner haar jas aan en vroeg of ze thee wenste. Ze glimlachte zo innemend mogelijk en schudde haar hoofd terwijl ze de menukaart vroeg. De kelner stelde geen vragen en knikte beleefd. Zo hoorde het, vond ze en ze tuurde tevreden naar buiten. Ondertussen liep de kelner zo snel als hij kon naar de keuken, verwoede pogingen aan het ondernemen om niet te lachen met haar overdreven make-up.

Mevrouw Plissart de Maisières had geen idee wat ze besteld had. Ze was zo in haar nopjes met haar beslissing om eens buiten de dagelijkse routine te gaan, dat het haar niet veel kon schelen. Ze voelde ook hoe mensen naar haar keken en besloot dat er toch nog wat van haar jeugdige schoonheid bewaard was gebleven. Zonder ijdel te zijn, genoot ze met volle teugen. Ze mocht nog gezien worden, dat was duidelijk. Ze had jammer genoeg niet gezien dat de kelner erg verbaasd zijn wenkbrauwen fronste bij haar keuze voor het eten. Hij vond Thaise rode curry niet de meest voorspelbare keuze, maar vroeg of ze er een glaasje wijn bij wenste.

Die avond, toen mevrouw Plissart de Maisières Brasserie Saint-Paul verliet, waren alle ogen op haar en haar hondje gericht. Deze keer besefte ze maar al te goed dat het niet haar jeugdige schoonheid was. En ook niet het mooie strikje van Diva. Mevrouw Plissart de Maisières kon wel door de grond zakken van schaamte. De weg naar huis leek wel dubbel zo lang.

Meteen na haar eerste hap van de Thaise curry, voelde ze dat het misging. Haar mond stond in brand, haar keel schroeide luid sissend weg en de tranen leken wel uit haar ogen te spuiten als losgeslagen brandweerslangen. Mevrouw Plissart de Maisières kon absoluut niet tegen pikant eten en dit was een regelrechte aanslag! Hoewel ze het wel kon uitschreeuwen beheerste ze zich. Het paste echt niet voor een dame van haar afkomst dat ze ook maar iets liet merken. Ze kauwde langzaam verder, probeerde de vreselijke brand wat te temperen met rijst en slokjes wijn, maar wat ze ook deed: het hielp niet. Toen de kelner haar kwam vragen of alles naar wens was, knikte ze beleefd en at ze vlijtig verder. Ze kreeg geen woord gezegd, uit angst dat haar keel nog meer ging openschroeien…

Mevrouw Plissart de Maisières voelde de tranen over haar wangen stromen en zocht in haar handtas naar een zakdoek. Lichte paniek overmande haar. Geen zakdoek. Ze had een andere handtas genomen voor de gelegenheid en was helemaal vergeten om er een zakdoekje in te steken. Wat nu? Ze kon niet naar het toilet en Diva alleen achterlaten. Nee, ze zou er even door moeten en flink zijn. Haar wangen waren ondertussen helemaal nat, het zweet liep in straaltjes langs haar wenkbrauwen naar beneden. Ze wenste dat ze haar servet niet gebruikt had om de rest van de kip in weg te moffelen, want nu had ze niets meer om haar gezicht mee af te deppen. Wanhopig keek ze rond. Er was niets in de buurt dat van dienst kon zijn of… Ze nam Diva op schoot en deed alsof ze tegen het hondje sprak. Zo onopvallend mogelijk veegde ze haar gezicht schoon en droog. Diva protesteerde niet te veel, dus dat viel mee. De aanraking van de zachte vacht van Diva deed haar zoveel deugd, dat ze zichzelf eventjes verloor. Ze veegde en veegde en voelde hoe ze herademde. Het zweten stopte en haar gezicht voelde weer droog aan. Opgelucht zette ze Diva terug neer. Maar wat was dat? Diva was niet meer wit. Ze zag blauw, zwart, roze en rood! Diva schudde zich uit, nog bekomend van wat haar net overkomen was. Mevrouw Plissart de Maisières nam haar bestek op om het in haar bord te leggen en zag haar reflectie in het glimmende mes. Haar make-up was helemaal uitgelopen. Haar gezicht was een lappendeken van kleuren, zwarte mascara zat in vegen op haar wangen. Blauwe oogschaduw bedekte zelfs haar voorhoofd en de lippenstift hing tot op haar oren…


Mevrouw Plissart de Maisières legde voldoende geld en een fooi op tafel, nam eigenhandig haar bontjas van de haak en verdween zo stilletjes mogelijk. Diva huppelde vrolijk mee. Terwijl het personeel van Brasserie Saint-Paul over de grond rolde van het lachen, hoopte mevrouw Plissart de Maisières dat het wat vroeger donker was geweest…



zaterdag 7 december 2013

Er is

__________

Er is geen wij.
Er is ik.
En er is enkel jij.




zaterdag 23 november 2013

November





Het regent. Hele fijne, voorzichtige druppels. Dat is niet zo abnormaal in november. Maar de regen in november doet me telkens weer pijn. Elke druppel lijkt gaten te branden in mijn ziel. Het zijn wonden die zichzelf verder openrijten en vreselijk prikken. Het gevoel is bijna ondraaglijk.

Ik weet dat jij daar ook ergens loopt. Misschien voel je wel hetzelfde als ik. Of nee, toch niet. Ik ben alleen zeker over wat ik zelf voel. Ik weet dat niets voor eeuwig is. En ik weet dat november over enkele dagen voorbij zal zijn. Waarschijnlijk regent het bij jou ook, vallen de druppels ook op jou neer.

Soms denk ik dat we enkel de putten van de tijd proberen te dempen, bij gebrek aan iets anders. Uit angst om gevoelens in te vullen. Omdat we misschien de juiste tinten niet vinden. Omdat we misschien wel bang zijn om buiten de lijntjes te kleuren.

Hier, wandelend in de regen, kom ik tot het besef dat het enige dat ik echt bezit de tijd is. Ik doe er mee wat ik wil. Ik kan hem alleen niet verlengen of verkorten. En eeuwigheid is niet kneedbaar. Maar ik besteed hem naar eigen goeddunken. Vandaag is dat wandelen in de regen.

Ik hou niet van regen, integendeel. Toch had ik het even nodig om alleen te zijn. Alleen met mezelf. Maar dat lukte niet. Al die gedachten vergezelden me. Ze holden achter me aan, in paniek dat ik hen zou achterlaten. Sommigen renden me zelfs voorbij, maar ik deed geen moeite om ze in te halen. Af en toe probeerde ik een onverwacht zijwegje, om hen af te schudden, maar het was tevergeefs. Ik was niet alleen, hoe graag ik dat ook zou willen.

En jij? Waar loop jij nu? Zijn mijn gedachten tot bij jou gehold? Heb je ze herkend? Of heb je ze, als een natte hond, van je afgeschud, ver weg, zodat je ze snel vergeten bent. Zodat je ziel geen stof tot nadenken krijgt.

Ik nam teveel zijwegjes. Ineens kwam het besef dat ik niet wist waar ik was. Rondom mij was enkel veld. In de verte drong een bos zich op. Dikke wolken pakten zich bijeen. De avond kondigde zich al een beetje aan. De schemerzone, die de dag afsluit, kroop over de kasseiweg waar mijn besluiteloze voeten op stonden. Ik draaide me om. Dezelfde weg terug? De schaduwen werden langer. De bomen leken zich over mij te buigen. Het was geen dreigen. Het was bescherming tegen de druppels.

Het daglicht verdween. Zwart omringde me. Boven me zag ik vaag nog wat kleurnuances in de wolken. De vogels zwegen. Het enige geluid dat hoorbaar was, waren mijn voetstappen. Op zoek naar de weg terug. De weg naar huis. Naar mezelf.

Misschien kom ik je onderweg wel tegen. Misschien ook niet. Misschien reik je me de hand en zoeken we de weg samen. Maar misschien ook niet.

Het regent voor ons beiden. De pijn is anders. Doorweekt of niet. Niets is voor eeuwig. Maar over enkele dagen is het december…


woensdag 23 oktober 2013

Wachten


Ik ben het wachten moe
Het wachten op jou naast mij.
Het wachten op een streling van je hand.
Het wachten op je vertrouwen.
Het wachten op een lief berichtje.
Het wachten op een antwoord op ongestelde vragen.
Het wachten op de geruststelling in je blik.
Het wachten op een arm rond mijn schouder.
Het wachten op de opvulling van de lege plek in bed.
Het wachten op jou in de lange, donkere nachten.
Het wachten op een kopje thee dat jij voor me zet.
Het wachten op nieuwsgierigheid in mij.
Het wachten op een verkenning van mijn gevoelens.
Het wachten op rust.
Het wachten op het voelen van verlangen.
Het wachten op een hunkerende passie.
Het wachten op je hoofd dat rust op mijn schoot.
Het wachten op het einde van je eeuwige zoektocht.
Het wachten op het niet meer hoeven te wachten.
Het maakt me zo moe.
Zo ontzettend moe.




zaterdag 14 september 2013

Tantalus


Ze dwaalt rond in de kamers van haar huis. Iedere nacht gaat ze alle kamers in en weer uit. Ze komt in elke hoek en als ze de kamer verlaat, kijkt ze even meewarig over haar schouder. Dan stapt ze resoluut de volgende kamer in.

Ze houdt vol. Ze weet zeker dat ze iets mist. Op een nacht zal ze die ene kamer vinden. De kamer waarin ze tot rust zal komen. Daar waar haar gevoelens zich een weg zullen zoeken als een pril bergstroompje. Daar waar ze alles los kan laten, tot al het ijs van de gletsjer gesmolten is.

De onrust groeit. Nacht na nacht herhaalt ze dit ritueel. Maar die ene kamer blijft verborgen. In haar dromen opent ze elke keer weer die deur. Dan wordt ze bevrijd.

Deze nacht lukt het ook weer niet. Het zijn de vertrouwde kamers, niets meer. Hoe ze ook zoekt, de onrust blijft. Nacht na nacht.

Ze ziet hoe haar gletsjer steeds hoger en gladder wordt, ze voelt hoe smeltgraag het ijs is en hoe wankel ze zich er op begeeft.


Er ontluiken geen bergstroompjes. Het komt niet los. Die kamer blijft onvindbaar. De deur zit op slot. De nacht is lang.



donderdag 1 augustus 2013

Emiel

Eindelijk middagpauze! Ik klapte mijn laptop dicht, nam mijn handtas en haastte me naar de winkelstraat. Het waren de laatste dagen van de solden en ik had echt nog een kleedje nodig voor het verjaardagsfeestje van mijn vriendin.
                
Het was weer druk in de winkelstraat. Ik ergerde me aan de slenterende mensen die duidelijk veel meer tijd hadden dan de doorsnee werkende mens. Ze liepen in de weg, ik had haast. Na wat slalommen stapte ik de winkel binnen waar ik meestal wel mijn stijl vond. Ik probeerde me te ontspannen. Langzaam liet ik mijn blikken gaan over de volle rekken. Automatisch sorteerde ik al op kleur, lengte, stijl. Het duurde geen tien minuten of ik had een drietal kledingstuks over mijn arm hangen. Ik rolde even met mijn ogen toen ik naar het bordje boven de paskamers keek: maximum 3 stuks. Vooruit dan maar…

Er waren vijf paskamers. Vier daarvan waren vrij. Ik koos het middelste pashokje en hing de kledij aan de kapstok. De handtas ging op het stoeltje en ik nam een rokje van de kleerhanger. Naast me hoorde ik een vrouw praten. Ze was duidelijk op leeftijd. Ik hoorde het aan dat krakje in haar stem. Ze klonk heel lief.

‘Zeg eens iets, Emiel’, hoorde ik. ‘Past dat wel bij mij? Dat is niet echt mijn kleur, of wel?’

Ik voelde me een beetje ongemakkelijk omdat ik hun conversatie hoorde. Waarschijnlijk besefte ze niet dat er naast haar nog iemand kleren aan het passen was.

‘Emiel, die blouse is mooi, he! Maar die rok maakt me precies wat dikker. Of vind jij het wel goed?’

Ze taterde maar door. Ik kon niet anders dan meeluisteren. Emiel zei niets terug. Ik stelde me voor dat hij maar knikte en in zichzelf dacht dat hij er toch geen verstand van had en straks wel zou betalen.

Ondertussen had ik mijn keuze gemaakt: een klassiek rokje zou het worden. Ik kleedde me terug aan, keek even of mijn haar wel goed zat en nam mijn handtas van het stoeltje. Het rokje schoof van mijn arm en viel op de grond. Ik bukte me en zag onder het gordijn van het pashokje dat er maar één paar voeten stond. De vrouw naast me had haar schoenen netjes naast elkaar gezet. Ze vroeg: ‘Emiel, moet jij geen nieuwe das hebben?’ Maar Emiel bleef zwijgen. Ik hoorde haar zuchten.

Toen ik uit het pashokje kwam, kon ik het niet laten. Ik bleef maar wat rondhangen. Voor ik vertrok moest ik de vrouw gezien hebben. En Emiel ook. Ik prutste maar wat aan mijn kledij en kapsel, in de hoop dat het niet zou opvallen. Ik zag hoe ze wat moeizaam haar voeten in haar schoenen stak. ‘Kom, Emiel, we gaan naar de kassa!’
Het gordijn schoof open. Een kleine, charmante vrouw met perfect gekapte witte haren, stapte naar buiten. In haar ene hand droeg ze haar handtas, over haar andere arm lag een blouse en een rok. De vrouw draaide zich even om en zei: ‘Kom Emiel, blijf daar niet zo staan!’

Ze draaide zich terug om, ik was zo verbaasd dat ik vergat om een stapje opzij te zetten. We botsten tegen elkaar op. Haar handtas gleed van haar arm en viel op de grond. Vlug bukte ik mij om ze op te rapen, ondertussen verontschuldigde ik me uitvoerig. De oude vrouw bukte zich ook en raapte het bidprentje op dat uit haar tas gevallen was.

‘Dit is Emiel’, zei ze. ‘Hij is vorige maand gestorven.’ Heel zachtjes gleed haar hand over zijn foto, daarna stak ze het kaartje weg. We stonden samen recht. Ik wist niet wat ik moest zeggen. In haar ogen zag ik dat het ook niet meer uitmaakte. Ze keek over haar schouder en wenkte met haar hoofd. ‘Kom, Emiel, we gaan nog een kop koffie drinken.’


Ik keek haar na. Mijn hoofd zat vol emoties. Ook ik keek even om, naar het pashokje. Even dacht ik Emiel te zien in de spiegel. Hij knikte en lachte me vriendelijk toe. Ik schudde mijn hoofd. ‘Emiel, ik ga mee een kop koffie drinken. Dat hebben we wel verdiend!’