zondag 30 augustus 2015

Rilling



Heel voorzichtig kroop hij tegen mijn rilling aan.
Behoedzaam, om ze niet te verstoren.
Hij wou ze niet stoppen of onderbreken.
Hij wou ze voelen.
Helemaal.

Hij vroeg niets, maar onderging.
Ik liet het gebeuren.
In de hoop antwoorden te krijgen.
Antwoorden op het rillen.
Het schokken van mijn wezen.

Het duurde uren, misschien wel dagen.
Hij proefde, voelde, tastte, probeerde te begrijpen.
Maar de antwoorden kwamen niet.
Mijn wezen schokte voort.
Soms is een rilling is niet vertaalbaar.




















woensdag 27 mei 2015

Repressie!


Lieve lezers,

Het Grote Smoelenboek (Facebook dus) heeft, zonder enige verwittiging, beslist dat T-time Tanneke niet meer mag bestaan. 

Waarom niet? 

Teveel vrienden, teveel succes en ja, waarschijnlijk ook wel één of andere jaloerse verbitterde (ja, jij daar, ik weet dat je dit leest) die me gerapporteerd heeft...

De stekker is er dus uit.
Tenzij ik mijn persoonlijk profiel omzet in een pagina. 
En tja, daar hebben we niets aan.
Gedaan met foto's en berichtjes, reacties of mails.

Wat meer is: als ik alles omzet, dan ben ik ook alle berichten, foto's en jullie leuke opmerkingen kwijt. 
Zomaar. Boem patat, de vuilbak in! 
Zonder meer. 
Zo belangrijk zijn wij, als gebruikers.

Wat nu? Geen idee. Ik wacht en zoek of ik het ongedaan kan maken, maar Facebook kennende is er weinig hoop. 

Ze smeren me aan dat ik commerciële activiteiten voer via TTT. 
Ik moet toegeven: het is héél erg commercieel om gratis verhaaltjes te posten. Je moest eens weten hoeveel me dat al opgeleverd heeft: veel glimlachjes, een verlegen blos, een goed gevoel, geluk, vriendschap, vertrouwen en vooral tonnen plezier. Zoiets moet uiteraard meteen bestraft worden!

Voor niets gaat de zon op in deze wereld.

In welke eeuw leven we nu weer?




















zondag 26 april 2015

Overal en nergens




Verdriet ziet niet alleen in je hart.

Het zit ook in de topjes van je vingers,
bij het tintelend aanraken van een herinnering.

Het zit in het knikken van je knieën,
 als je op bekende paadjes ronddoolt.

Verdriet zit in het laatste witte bloesemblaadje,
dat zachtjes op een zuchtje wind wegwaait.

Het zit in het doordringende geroep van de uilen,
als de wereld in alle ernst slaapt.

Het zit in dat ene onverwachte liedje op de radio,
waarbij je niet weet of je het volume hoger of lager wilt zetten.

Verdriet zit in dat onopvallende litteken,
dat niet goed verzorgd werd.

Het zit in kleine dingen,
maar is soms ook immens.

Het zit overal. 
En nergens.


woensdag 25 maart 2015

Keihard watje


De lente komt er aan. Dan doe ik wat de meeste mensen doen: de tuin zomerklaar maken. Vol ongeduld, met het vooruitzicht van een zonovergoten grasveld, omringd met bloemen en bloeiende struiken, haal ik het tuingerief van onder het stof en begin met volle moed.

Maar het lukt niet zo goed. Het ontbreekt me aan kracht. En ook het druilerige weer zit niet mee. Het valt me zwaar om me de zomer voor te stellen. Het is een opgave om me in te beelden hoe de warmte van zonnestralen op mijn huid weer voelt. Minutenlang rust ik op de spade, turend in het niets. Af en toe drupt er een druppel van mijn haar, over mijn neus tot op mijn hand. Een moedeloosheid overvalt me.

Ik hou niet van moedeloosheid. Het moet vooruit! Ik schud de druppels uit mijn haar en kijk de tuin rond. Als ik nu eens begin met enkele grote stukken en alvast de grond klaarmaak voor mijn bloemenperk vol met klaprozen en weidebloemen? Ik stap de tuin in. Ik snoei waar nodig en raap dorre bladeren en stenen op. Het natuurlijke materiaal gaat op één hoopje, de stenen op een andere hoop. Na een tijdje ben ik verbaasd over de vele stenen die ik verzameld heb. Eén voor één neem ik ze vast, bekijk ze, observeer hun vorm en kleur. Voor ik er erg in heb, heb ik ze gerangschikt tot een soort platform. Andere stenen komen er bovenop. Ik bouw een eilandje in mijn tuin. Het is een eiland van herinneringen. Stuk voor stuk gestapeld en geordend. Een eiland in een eiland. 

Later die dag moet ik het huis invluchten. De regenbuien zijn zo hard en hevig dat de tuin al vlug omgetoverd wordt in een drassige boel. Met luide tikken kletteren de druppels op de ramen en het dunne dak van de veranda. Troosteloos kijk ik het aan. Door de regen kan ik mijn eilandje niet meer zien. Mijn herinneringen worden overspoeld.

Wanneer het eindelijk weer opklaart, merk ik dat mijn eiland verdwenen is. Mijn bouwwerk is blijkbaar niet zo stevig. De vele regen heeft mijn herinneringen meegesleurd naar andere plaatsen. Alsof het een les is in voorbijgaan. 

Ik kijk om me heen en bedenk me dat ik wel opnieuw kan beginnen. De meeste stenen vind ik meteen terug. En misschien kan ik wel gaan voor een stevigere constructie? Maar iets houdt me tegen. Soms moet je loslaten en verder gaan. Zonder te willen vasthouden aan dat wat voorbij is. Met een wat angstig gevoel kijk ik rond. Mijn besluit staat vast. De stenen blijven waar ze zijn. Ik weet dat ik in de zomer af en toe eentje zal vinden en oprapen. Dan zal ik hem bekijken en zijn kleur en vorm observeren. De herinnering zal terugkomen en misschien zal er in een zwoel zomerbuitje nog een vergeten beeld in een plas weerspiegelen. Maar ook dat zal langzaam wegrimpelen op een vluchtig briesje.

Zo is het goed. Ik ga terug naar binnen, laat de spade staan waar ze staat. Tijdens het stappen voel ik hoe die ene steen, die speciale met zijn mooie vorm, net te groot is voor mijn broekzak. 






woensdag 18 februari 2015

Uitdeinen


De rode cijfers priemen meedogenloos in het donker. Ze staren me brutaal aan. 4:14, staat er nu. Ik woel en draai. De slaap komt maar niet. Ik zoek een andere houding, probeer rustig te ademen en te ontspannen, maar de slaap lacht me uit.

Allerlei trucjes probeer ik: ik stel me een warme avond aan zee voor en beeld me het zachte ruisen van de golven in; ik tel de seconden als waren het schaapjes, ik adem trager en rustiger. Maar niets helpt. Het donker omringt me en ik hoor het ruisen van de stilte.

Mijn hand rust op mijn buik. Langzaam volgt die mijn ademhaling. Op en neer. Bewust. Dan word ik mijn hartslag gewaar. Onrustig en veel te snel. Mijn hand schuift hoger. Op zoek naar die kloppende motor. In overdrive, duidelijk.

Ik concentreer me er op, probeer een snelle revisie te doen en regelmaat af te dwingen. Het geluid van het kloppen zwelt aan. De hele kamer lijkt er mee gevuld. Het bonzen wordt beangstigend. Koppig hou ik vol. De rode cijfers zijn al zestig keer veranderd. En dan…

Dan merk ik het. Het gaat trager. Veel trager. Maar het trager gaan, gaat veel te snel. Er zit een zee van tijd tussen elke hartslag. Het duurt zo lang dat ik vergeet waar ik gebleven was met het tellen. Mijn hand zoekt naar het deinen van mijn buik, maar vindt een windstil meer in plaats van een deinende zee.

Mijn lichaam lijkt volledig weg te zinken in de matras. Ik verdwijn en wordt opgeslorpt. Het kloppen stopt. De rode cijfers doven uit.





maandag 9 februari 2015

Personificatie




‘Kan je de tijd wat doden?’ vroeg hij.

Ik keek hem verbijsterd aan. Wat bedoelde hij toch? Ik had in heel mijn leven nog niet veel gedood. Aan een razend tempo groef ik in mijn geheugen naar de lijken die ik op mijn actief had. Muggen, die waren er zeker bij. Maar hoeveel? Neen, geen idee. 

Was er nog iets? Ik zocht en zocht… 

Af en toe eens een vervelende vlieg. 

Spinnen al zeker niet, want die vind ik ongelooflijk boeiend en die worden met veel zorg buitengezet. Daar glimlach ik altijd bij, bij dat ritueel, want ik weet goed genoeg dat ze, zodra ik mijn rug draai, rechtsomkeer maken en zich terug een weg naar binnen banen.

Een vogel. Ja, klopt. Die knalde eens tegen mijn auto. Ik had hem nog ontweken, maar het mocht niet baten. Het leek wel een kamikaze-duif: trefzeker, zonder moeite te doen om me te ontwijken, bonsde ze tegen mijn voorruit aan. Op slag dood. Dat wist ik zeker, want ik was zelfs uitgestapt om te zien of ze nog te redden was. En ach, ik heb het niet op duiven, maar toch vond ik het erg. 

Wat of wie nog? Die pestkop op school, die mijn vriendinnetje altijd treiterde? Neen. 

Die man, die zijn hond zo hard en zo veel sloeg, dat het beestje bewusteloos neerviel? Neen.

De haan van de overburen die elke nacht om drie uur vond dat het tijd was om op te staan? Neen.

Langzaam begon zijn vraag door te dringen: of ik ‘de tijd’ kon doden. Ik stelde me er van alles bij voor. Moest ik de tijd langzaam laten stikken door ze te smoren onder een dik donzen kussen? Of in een vol bad net zo lang onder water houden tot ze niet meer tegenspartelde? Misschien was vergiftigen wel efficiënter? Uithongeren? Of psychologische terreur zodat ze er helemaal onderdoor gaat en instort? Meedogenloos afknallen? Neen, dat was allemaal niets voor mij.

Hij gebruikte vaak van die zinnen waar ik niet veel van begreep. Het leek me, dat als hij zoiets zei, dat er dan spontaan een groot glimmend vraagteken boven mijn hoofd verscheen. Maar hij zag het nooit. Hij vond het heel gewoon. Voor mij was het moeilijk. Ik wist echt wel heel zeker dat je tijd niet kon doden. Zelfs als je het zou willen of er de middelen voor had, dan ging het nog niet.

Ik ging het rijtje af van zijn vreemde zinnen. Stiekem had ik ze in mijn boekje genoteerd. Omdat ik ze wou herlezen en vooral begrijpen. 

Ik las: 

De toekomst lacht je toe’. Ik herinnerde me dat ik ver voor me uitstaarde en tuurde zo hard ik kon naar iets dat naar me glimlachte. Maar ik zag niets. 

Het papier is geduldig’, stond er ook nog bij. Grinnikend zag ik in mijn gedachten hoe het zenuwachtig met een voet heen en weer schudde, vol opgejaagdheid. Maar het papier was gewoon wit en leeg. Meer niet.

Het gevaar loert om de hoek’, stond er op de volgende regel. Het heeft er voor gezorgd dat ik op straat een ruime bocht nam om de volgende hoek. Je weet maar nooit. Maar ook daar gebeurde niets. 

De wind fluit door de bomen’, had hij november gezegd. Ik hoorde het niet. Of ik herkende het deuntje niet. Fluiten? Veel lawaai, dat hoorde ik wel. 

De tijd vliegt’, stond er op het volgende lijntje. Zou die dat dan doen als een straaljager? Of als een kip met één gekortwiekte vleugel? Hoe lang zou die dan vliegen? En wist die wel waar naar toe?

Het maakte me moe, deze beeldspraak. Het ging aan me voorbij. Ik keek naar hem. Hij stond aan het raam, tuurde naar buiten, zonder doel.

Ik haalde mijn schouders op en klapte mijn boekje dicht. Ik ging naast hem staan en tuurde mee. Hij legde zijn hand op de mijne.

Ach, hij had mijn hart gestolen.