woensdag 26 januari 2011
woensdag 19 januari 2011
Braaf
“Blijf!” zei ze. Het maakte indruk op me. Ze keek nog een keer om, strekte haar arm en liet me haar handpalm zien. Ze keek me doordringend aan. “Blijf!” herhaalde ze. Dus ik bleef. Precies daar waar ik was. Ze verdween door de deur. Wat ging ze doen? Bleef ze lang weg? In gedachten zag ik nog haar lieve, zachte hand. Ik keek wat rond. “Blijf!” galmde er in mijn hoofd. Haar doordringende blik. Ik bleef. Daar mocht je zeker van zijn. Zolang ze maar wenste.
Daarnet nog sprak ze lieve woordjes tegen me. Ze vertelde me hoeveel ze van me hield. Toen ging de telefoon en het leek wel alsof ze me vergeten was. Maar even later plofte ze weer in de zetel en vlijde ik mijn hoofd weer in haar schoot. Haar stem klonk weer lief en haar zachte hand streelde me. Het was zalig. Zo heb ik het graag. Ik aanbid haar.
Nu zit ik hier. Te wachten. “Blijf!” zei ze. Ik bleef. Maar waar blijft zij? Stelt ze me op de proef? Hoelang blijft dat woord nog krachtig genoeg nagalmen? Hoelang blijft het beeld van haar opgeheven hand op mijn netvlies gebrand? Wat doet ze achter die deur? Krijg ik een extraatje? Wil ze me verrassen? Ik mis haar nu al.
“Kom, Max!” roept ze plots vanachter de deur. Mijn hart maakt een sprongetje. Heel mijn lijf komt in beweging. Zo snel als ik maar kan loop ik naar haar toe. Ik duw de deur verder open en ben oh zo blij! Veel gelukkiger had ze me niet kunnen maken! “Hier, Max, helemaal voor jou!” zegt ze en ze geeft me een klopje op mijn billen. Heerlijk is dat!
Met een sierlijke beweging zet ze de kom met brokken voor mijn neus. Dank je, wel! Ik aanbid haar.
woensdag 12 januari 2011
Het komt voor de bakker
Fons startte de auto. Om de twee dagen reden ze met hun karretje naar de bakker. Voor Fons werd een auto besturen een hele opgave. Gerda had het ook zwaar: meer dan een uur had ze nodig om zich op te maken, haar kapsel te bedwingen en de juiste handtas te kiezen. Het hing Fons serieus zijn strot uit.
Een man en een vrouw in de auto. Op weg naar de bakker. Het was druk. Nergens vond Fons een parkeerplaats, op acceptabele afstand voor Gerda’s benen. Gerda werd kregelig, alsof Fons hier eigenhandig voor gezorgd had. Ze reden nu al voor de vijfde keer voorbij. Gerda was het beu. ‘Zet me maar af aan de deur, rij nog eens rond en kom me dan oppikken!’ Ze hees zich uit de auto met veel gezucht en gepuf, waardoor ze niet hoorde hoe Fons stilletjes ‘aye aye kapitein’ mompelde.
Fons reed weg. Hij bleef rijden. Zomaar. Hij wist zelf niet waarom. Fons reed altijd maar door. Hij stuurde opvallend zeker het autootje het dorp uit. Zijn leven uit. Hij reed de snelweg op. Niemand zag Fons ooit nog terug.
Gerda heeft lang gewacht. De motregen pleegde een aanslag op haar kapsel. Het brood was aanvankelijk nog lekker warm. Precies zoals Fons het graag heeft. Toen ze, uren later, thuiskwam, was het brood volledig afgekoeld. Gerda deed wat ze altijd deed: ze legde het brood in de kast. Daar ligt het nu nog altijd, te wachten op Fons.
Dirk Oudes - Het dagelijks brood
woensdag 5 januari 2011
Epifanie
Kasper stond ongeduldig heen en weer te wiebelen. Van het ene been op het andere. Hij mocht voor de eerste keer in zijn jonge leven mee. Zijn twee broers waren weer zo traag. Balte moest zijn kroon nog zoeken en Melcher vond zijn linkerschoen niet. Maar Kasper was er klaar voor. Onder zijn kleed had hij zijn warmste kleren aangetrokken. Papa had de dag ervoor zijn twee linkerhanden even aan de kant geschoven en met heel wat vloekwerk toch een aardige ster ineen geknutseld. Mama had ze een mooi verflaagje gegeven. Ja, Kasper was er echt klaar voor.
Balte stootte zijn hoofd tegen de balk op zolder. Die stomme kroon! Mama had die een jaar of zes geleden voor hem gemaakt. Toen mocht hij voor de eerste keer mee. Zo fier was hij toen. Maar nu... Hij wou echt niet mee. Dat kinderachtig gedoe! Zo een onzin, allemaal. Gelukkig woonden ze nog maar een maand in dit dorp en kenden ze nog niet veel mensen. Dat maakte het iets gemakkelijker. In het donker zou het ook wel meevallen. Kasper moest het woord maar doen. Als hij had mogen kiezen, zat hij straks lekker voor de tv. Maar Balte had aan mama beloofd dat hij het voor Kasper zou doen. Hij was tenslotte grote broer... Daar, in de hoek, daar lag die kroon. Balte stormde de trap af. ‘Ik ben er!’
Melcher had zijn gummilaarzen aangetrokken en had de zoektocht naar de linkerschoen opgegeven. Na de zoveelste ‘ja, mama, nee, mama, ja, mama’ vertrokken ze. De straat uit, op weg in de schemering. Kasper straalde van geluk. ‘Mag ik aanbellen bij het eerste huis?’ Dat mocht. Maar Balte wou graag nog een beetje verder gaan. Nog een straat verder. Daar zouden ze beginnen. Melcher vond alles best. Kasper huppelde voor hen uit. Zijn ster wiebelde gevaarlijk heen en weer.
In de Ooststraat belde Kasper bij het eerste huis aan. Een jonge vrouw deed open. Kasper begon meteen:
‘Drie koningen, drie koningen,
geef mij nen nieuwen hoed,
mijnen ouwen is versleten,
ons moeder mag 't nie weten,
mijn vader heeft het geld
op de rooster geteld.’
geef mij nen nieuwen hoed,
mijnen ouwen is versleten,
ons moeder mag 't nie weten,
mijn vader heeft het geld
op de rooster geteld.’
De vrouw lachte en zei dat Kasper dat heel goed gedaan had. Met blinkende ogen hield Kasper zijn rode, stoffen zak open. De vrouw deed er een handvol snoepjes in. Nog voor ze ‘dag’ kon zeggen, had Kasper al aan het volgende huis aangebeld.
Na een uur had Balte er echt genoeg van. Zijn voeten deden zeer. Melcher had honger en wou naar huis. Kasper gaf toe dat hij ook wel moe was. De drie koningen keken elkaar aan en waren het eens: huiswaarts! ‘Kom’, zei Kasper. ‘We gaan naar mama!’ Melcher keek Balte aan. ‘Weet jij de weg?’ Balte keek om zich heen. Deze straat kende hij helemaal niet. Door het drukke gedoe van Kasper had hij ook helemaal niet op hun route gelet. Waar waren ze? Hij had nog zo aan mama beloofd dat hij goed op zijn broertjes zou letten. En nu wist hij niet eens hoe ze naar huis moesten...
Melchers lip begon te trillen toen Balte zei dat hij de weg niet wist. Kasper, vrolijk als altijd, liet de moed niet zakken. ‘Hier Melcher, neem een koekje, dan kan je toch al wat aan die honger doen!’ Kasper hield zijn zak wagenwijd open zodat Melcher iets kon kiezen. Melchers hand ging in de zak en kwam er leeg terug uit. ‘Er zit niets in!’ zei hij. ‘De zak is leeg...’ Nu was het de beurt aan Kaspers lip om te trillen. Hier had hij zo lang op gewacht, zoveel keren opnieuw het liedje gezongen en nu was die zak leeg? Hij stak zijn armpje tot op de bodem en warempel: daar zag hij zijn vingers doorsteken. Er zat een groot gat in de zak! Alles wat er ingestoken was, was weg...
Koortsachtig probeerde Balte te bedenken hoe hij zich hieruit ging redden. Melcher hield koppig zijn buik vast, om zijn honger te bedwingen. Kasper huppelde vrolijk naar een vuilbak en smeet de zak met gat en al weg. ‘Kom!’ zei hij en hij nam elke broer bij de hand. ‘Kom, we gaan naar huis, ik weet de weg.’ Na de eerste stap raapte hij het eerste snoepje op, het begin van een zekere weg naar huis.
Wijze Kasper!
woensdag 29 december 2010
Sylvie
Het was weer oudejaarsavond. In elke huiskamer kwamen ze weer naar boven: oude, taterende, mompelende en kwetterende mensjes: de Sylvia’s. Ze bleven de hele avond en vulden elk hoekje met herinneringen: weet je nog toen...? Die avond in mei...? Weet je dit nog...? Niemand ontsnapte aan hun eindeloos gefluister en toch was je je niet bewust van hun aanwezigheid.
Pas als de wijzers van de klok middernacht aangeven, verdwijnen ze. Overstelpt door het aftellen van de feestvierders of het gekus en gejoel en het declameren van goede voornemens. Mensen zijn klaar voor een nieuw begin en laten het jaar met zijn herinneringen achter zich. Het jaar is voorbij. De Sylvia’s komen en gaan. Zo gaat het al eeuwen en eeuwen. Maar dit jaar was het anders...
Bij hun vertrek uit het verleden krijgen alle Sylvia’s een bundeltje mee: reispas (heen en terug), het adres en een kort overzicht van de belangrijkste herinneringen. Vader Tijd heeft het goed geregeld en leidt zijn personeel goed op. Die ochtend belde zijn klerk echter af. Hij nam tijdskrediet. Er moest halsoverkop een vervanger gevonden worden. Natuurlijk raad je het al: iemand die geen ervaring heeft in dit soort werk, laat al eens steken vallen. En dat is precies wat er nu ook gebeurde. Sylvain had een bundel gegeven aan Sylvie, een klein meisje dat nog veel te jong was voor dit werk.
Sylvie was trots. Nu mocht zij, net als haar mama en oma, uit het verleden stappen. Niemand lette op haar, zelfs niet toen ze huilde omdat haar bundeltje gegrepen werd door een koude windvlaag en in de duisternis verdween. Onderweg bedacht ze haar plan: ze zou ongeveer op de juiste plaats uitstappen. Dan moest ze alleen maar op zoek gaan naar de mevrouw die ze geworden was. Een vrouw met donkere krullen en een moedervlekje op haar wang, dicht bij haar oor.
De tijdmachine stopte en de Sylvia’s stapten uit. Iedereen zwermde een andere richting uit. ‘Tot volgend jaar’, zeiden ze stilletjes. Sylvie was nu helemaal alleen. De klok op de kerktoren leunde bedreigend over haar schouder: ‘Haast je, haast je’, tikte ze, je’ hebt nog 17 minuten...’
Een dronken man liep haar omver. ‘Wat heb jij voor een belachelijk jurkje aan!’ lalde hij. Sylvie bekeek haar nieuwe jurk. Het was een jurk zoals alle vrouwen in het verleden droegen. Ze begreep niet wat de man bedoelde. ‘Kan je me niet helpen?’ vroeg ze. ‘Ik zoek de vrouw die ik geworden ben.’ De man keek haar aan, schudde zijn hoofd en vervolgde zigzaggend zijn weg. Sylvie keek hem na met tranen in de ogen. ‘Haast je, haast je, je hebt nog 11 minuten’, zei de kerkklok.
Sylvie besloot dat ze aan elk huis zou aanbellen, in de hoop dat ze zichzelf zou tegenkomen. Bij het eerste huis deed niemand open. Het tweede huis was bewoond door een oude, eenzame man die haar niet kon verder helpen. In het derde huis waren ze zo luidruchtig dat ze de bel niet eens hoorden. Zo ging het maar voort. Hier en daar zag ze in een woonkamer een Sylvia zitten. Het maakte haar boos. Het moest haar ook lukken! Bij het volgende huis greep ze al haar moed bijeen en glipte ze meteen binnen toen er werd opengedaan.
‘Waar ben ik? Ben ik hier?’ gilde ze. Iedereen stond recht, niet wetend wat ze met dit vreemde meisje moesten doen. Sylvie keek paniekerig rond. Hoe zou ze eruit zien nu? Op de salontafel lag een prachtig damesuurwerk. Sylvie, een kind van de tijd, werd er naar toe gezogen. Ze grabbelde naar het uurwerk en vluchtte in paniek de woonkamer uit.
Dat was er voor Annet teveel aan. Voor het oog van haar gasten werd door dat mormel een brutale diefstal gepleegd. Dat uurwerk had ze van haar verloofde gekregen. Het was van haar! Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. Deze morgen moest ze vaststellen dat ze niet in haar feestkleedje paste. Tot overmaat van ramp had de kapper haar kapsel helemaal om zeep geholpen. Dit kon er niet meer bij!
Annet veerde recht, duwde iedereen opzij en zette de achtervolging in. Sylvie was ondertussen al op straat aan haar tijdrit begonnen. ‘Haast je, haast je, nog 2 minuten’, hoorde ze.
Net voor Sylvie de hoek om ging, struikelde ze over de zatte man. Even zweefde ze in het niets en toen kwam ze met een droge plof in de sneeuw terecht. In haar hand klemde ze het uurwerk alsof het haar enige houvast was. Nog voor ze kon recht krabbelen greep Annet haar hardhandig bij de kraag. Al haar opgekropte woede van die dag kwam er uit. Sylvie moest boeten voor haar kilo’s die erbij gekomen waren, voor haar feestkleed dat niet meer paste, voor haar kapsel dat mislukt was, voor haar verloofde aan wie ze had moeten zeggen wat hij voor haar moest kopen, voor.... ach, voor alles!
Sylvie was doodsbang. Ze trilde op haar benen. Tranen stroomden over haar wangen toen ze haar hand spreidde en het uurwerk aanbood. Ze keek Annet recht in de ogen. De klok in de kerktoren begon aan de eerste slag van middernacht. Annet keek terug. De tijd stond op dat moment stil. Alles werd stil rondom hen. Een blik van herkenbaarheid. De blik in hun ogen. De donkere krullen die bij hen dat moedervlekje bedekten... Annet was helemaal in de war. Ze liet Sylvie los, schudde haar hoofd en probeerde vlug te tellen hoeveel glazen champagne ze gedronken had.
De achtste klokslag weergalmde in de straat. Sylvie lachte. Ze had zichzelf gevonden! Haar lichaam gloeide van geluk. In haar ogen schitterden duizenden lichtjes. Het bracht Annet helemaal van de kaart. Ze streek Sylvie’s lokken naar achter en zag net dezelfde moedervlek. Annet kneep haar ogen dicht en schudde verward haar hoofd. De twaalfde slag weerklonk, amper hoorbaar door het gejoel van mensen die op straat kwamen en het vuurwerk dat afgeschoten werd.
‘Gaat het?’ vroeg haar verloofde. Hij hielp Annet overeind. Sylvie was weg, verdwenen met klokslag twaalf. ‘Gelukkig Nieuwjaar’, zei hij en kuste haar. Annet keek om zich heen. Een zatte man verderop zong een onverstaanbaar liedje. Voor haar voeten lag haar uurwerk. Het tikte niet meer. ‘Gelukkig Nieuwjaar’, zei ze...
woensdag 22 december 2010
Vroeger was het beter...
Wat een klap was dat! Het huis trilde nog na. Ze hoorde de balken kraken. Met veel moeite trok ze zichzelf uit de zetel. Die tweede fles champagne was er wat teveel aan en dat ene glaasje bessenjenever was er misschien wat over maar je moest toch een beetje gezelschap hebben met Kerstmis?
Toen ze de trap opging hoorde ze een langgerekt 'meeeeuuuuuuuh'. Hm, is dat niet het geluid van een koe? Oké, ze had teveel gedronken, maar hier twijfelde ze toch niet aan... Zij geloofde haar ogen niet toen zij bovenkwam. Er lag echt een koe! Die keek haar nogal schaapachtig aan en zei iets in de aard van 'meuuuuuuh'. Ze wist er geen antwoord op.
Vlug donderde ze de trap af. Uit gewoonte goot ze de laatste slok champagne naar binnen en probeerde koortsachtig na te denken. Ze kreeg de kans niet want haar denkwerk werd verstoord door de bel. Met de lege fles in haar handen deed ze open. Het was de kerstman. Dat werd haar nu toch een beetje teveel: een koe en een kerstman.
Voor ze het wist was hij binnengekomen. Hij was duidelijk slechtgezind en mompelde in zijn baard. Hij plofte pardoes in haar zetel en snoepte van haar zoute nootjes.
'Die koeien, dat was toch geen goed idee.' zei hij. 'Maar ik had geen andere keuze. Toen ik mijn rendieren ging halen, stuitte ik op de vakbondsafgevaardigde van de rendierenbond. Mijn dieren staakten, volgens hem. Ze hadden te weinig loon en hun werkuren waren niet voldoende gespreid, volgens hem. Het werd ook tijd voor extralegale voordelen, volgens hem. En of ik kon meegaan in hun eisen en wou onderhandelen. En ze vroegen ook een dertiende maand, volgens hem. Maar ik had geen tijd. Ik kan toch geen dag later met de cadeautjes rondkomen?' Hij keek haar vragend aan. Ze schudde, met haar mond open, instemmend neen en hoorde boven een verdachte lading op de vloer ploffen. 'Dus nam ik maar de koeien van de buurman' ging hij verder. 'Maar die hebben geen ervaring met zo een slee. Hier boven jouw huis liep het mis. Ik moest een scherpe bocht maken en die hoofdkoe ging uit de bocht. Ze was in paniek en geraakte los uit het span en patatboem, door uw dak!'
Ondertussen had hij haar fles bessenjenever in zijn gehandschoende worstenvingers en had hij haar champagneglas gebruikt om te drinken. Het ging vlotjes binnen. Het tweede glas werd al gevuld. Hij krabde zich misnoegd in zijn baard. 'Bij de vorige bezoeker was het betere jenever', zei hij.
Ze staarde naar het plafond, alsof ze erdoor kon kijken, in de hoop dat die koe zich daar wat kon gedragen. Het draaide in haar hoofd, maar ze had geen idee of het van de champagne was of van wat er zich in haar huis afspeelde. De hele fles jenever was ondertussen soldaat en de kerstman waggelde naar de voordeur. Met één vingerknip in de richting van haar bovenverdieping (van haar huis, niet van haar hoofd) zorgde hij ervoor dat de koe naast hem stond. Hij nam zijn ceintuur, deed die rond haar nek en ging op pad. Zonder zelfs maar dag te zeggen.
Hij was de straat nog niet uit of daar stopte een politiewagen. De koe stopte gehoorzaam bij hun kordate bevel en hield de kerstman recht. De agenten keken heel bedenkelijk. De jeneverlucht was opvallend aanwezig. Ze ging wat dichterbij, benieuwd naar hoe dit ging aflopen. Het toestel voor de alcoholcontrole werd bovengehaald, maar daar had de kerstman geen oren naar. Hij lalde maar door over stakende rendieren en vakbondsafgevaardigden en koeien die geen vliegervaring hadden en uit de bocht gingen en interims die geen kwaliteit te bieden hadden... Daar stonden de agenten dan: een zatte man die zich uitgaf voor de kerstman en een koe die alleen maar 'meeeeeuuuuuuh' zei. Het liep vervolgens helemaal uit de hand. De agenten wisten er niets beter op te vinden dan iemand van de psychiatrische afdeling te laten komen. Die bolle buik van de kerstman zat in de weg om hem in een dwangbuis te steken, maar uiteindelijk ging hij toch mee. Ze nam de koe dan maar mee en zette ze in haar tuin.
'Ha, Nicolaas!', zei de kerstman toen hij eindelijk in de recreatieruimte mocht komen. 'Wat doet gij hier? Hebben ze u ook te pakken genomen?'
'Dat kan je wel zeggen', zuchtte Nicolaas. Hij krabde in zijn baard, verveeld met de situatie. 'Ik weet nog altijd niet waarom ze mij opgepakt hebben. Zoals elk jaar nam ik gewoon een kind op schoot en zei: 'wat ben je toch een lief kind'. Toen gaf ik dat jongetje een dikke knuffel en voor ik het wist werd ik van mijn troon gesleurd, vlogen de moeilijke woorden me rond de oren en nu zit ik hier. En jij? Wat doe jij hier?'
'Ach, zei de kerstman. Dat is een lang verhaal...'
Fijne feesten allemaal!
woensdag 15 december 2010
Pareltjes (deel 4)
gevarentaal
wonderzoek
weefvliegtuig
zonsopvang
peerwerpen
schreeuwwitje
pestkastje
dochters van wacht
zwaardbeving
dierenlefhebber
gemeenteluis
ik stel mezelf ter beschrikking
stuurbeklachtiging
wegversnauwing
kluisspin
het mereldeel
stringkasteel
pitloze duiven
frietsuiker
torteldruiven
Wil je nog pareltjes?
Abonneren op:
Posts (Atom)






