dinsdag 8 december 2015
zaterdag 5 december 2015
Zwaaien
Ze zwaaide met elke vezel in haar kleine lichaampje. Het moest duidelijk zijn dat ze het echt meende.
Haar vader stapte terug in de wagen, deed zijn gordel om en reed weg. Hij was gehaast en zwaaide niet terug. Keek hij nog in de achteruitkijkspiegel? Dan had hij gezien hoe zijn dochtertje daar stond, netjes op de stoep, met haar felgekleurde boekentas op haar rug. Heel haar wezentje gericht op hem. Haar papa die haar aan het eind van de straat had afgezet en nu wegreed. Rechtstreeks de file in.
Ze zwaaide tot hij uit het zicht verdwenen was. En zelfs dan nog zwaaide ze, voor de zekerheid, even verder. Krachtig, overtuigd en vol liefde. Langzaam liet ze haar armpje zakken. De wagen was om de hoek verdwenen. Opgeslorpt door het verkeer. Ze schudde haar boekentas wat zodat de riempjes weer goed zaten en draaide zich om. Daar was de school. Enkele uurtjes maar. En dan zag ze hem terug.
Voetje voor voetje liep ze neuriënd door de straat. Bij de schoolpoort draaide ze zich nog even om en staak haar handje op.
dinsdag 24 november 2015
Gewoon dood
Ik was heel erg dood. Of gewoon
dood. Want een beetje dood, dat bestaat niet. Ik dacht dat ik deze ochtend
gewoon wakker geworden was. Maar dat was niet zo. Ik was dood.
Ik zag mezelf liggen, vredig en
rustig, bedolven onder dikke, witte donsdekens. Mijn ogen waren gesloten. Mijn haren
lagen wat uitgewaaierd op het hoofdkussen. Omhuld door stilte, de
ochtendschemering en de witte dekens.
Een zwarte vlek lag naast mij. Dat
was mijn hond. Haar lichaam lag dicht tegen dat van mij aan. Haar hoofd rustte
op mijn borstkas. Haar neus was gericht op mijn gezicht. Haar oren stonden
gespitst. Alert op elk teken van leven. Maar dat was er niet. Honden zijn
geduldig. Tegen beter weten in.
Ze mag niet boven komen. Slaapkamers
zijn voor mijn hond al helemaal verboden terrein. En toch lag ze daar. Even stil
als ik, maar wel vol aandacht. Waarom heeft ze de deuren geopend en is ze naast
mij komen liggen? Wat heeft ze gevoeld? Mijn linkerarm ligt over haar heen. Mijn
vingers rusten in haar nek. Het is een vredig tafereel.
Het voelt goed zo. Mijn hoofd is
leeg. Geen gedachten die heen en weer botsen en wilde sprongen maken, geen
lijstjes die ik opstel en die ik diezelfde dag zeker nog moet afwerken. Geen getob
of gepieker. Geen hopeloos zoeken naar antwoorden op zovele vragen. Helemaal niets.
Het voelt onvoorstelbaar bevrijdend.
Ik vraag me af wat er nu gaat
gebeuren. Hoe lang gaat dit tafereeltje intact blijven? Ik ben niet op het
werk. Zo vreemd is dat niet, want ik ben wel vaker op de baan. Niets speciaals
dus. De postbode zie ik één keer per jaar, dus die zal ook niets merken. De buren
leven op hun eigen eilandje. Familie woont ver weg. Ik heb dus nog wel even
tijd om ervan te genieten. Niemand zal me meteen missen. Ik zou willen dat dit
eeuwig kon blijven duren. Zo liggen, vredig, zonder een hoofd dat barst van de
vragen.
Zondag zal het gedaan zijn. Dan komen
ze thuis. Week-week-regeling. Weet je wel? De week dat ze er niet zijn, is te
eenzaam. Het is elke zondag een sprong in het grote zwarte gat. Dan worden de
muren van het huis dubbel zo dik en komen ze op me af. Het donker wordt dan
donkerder. En de stilte wordt onuitstaanbaar. Eenzaamheid is een gigantisch
onzichtbaar monster. Eentje dat erg meedogenloos is.
‘Het was zo een sterke vrouw’,
zullen ze zeggen. Dat weet ik nu al. Misschien was dat wel zo. Maar met die zin
werd ik telkens verder weg geduwd. Want een sterke vrouw mag niet eventjes zwak
zijn. Het is ondenkbaar dat zij af en toe in een hoekje zit te huilen of uit
onmacht haar keel schor gilt. Dat doen sterke vrouwen niet. Die staan er. Altijd.
No matter what.
Sterke vrouwen overwinnen alles. Kunnen
hun emoties netjes categoriseren, in een laatje steken en verder gaan. Ze moesten
eens weten hoeveel laatjes ik in mijn hoofd heb. Sommigen zelfs met een dubbele
bodem. Ik heb het opgegeven om ze te rangschikken, want er was teveel
overlapping. Maar dat weet niemand. Sterke vrouwen gaan door. Tot het einde.
Ik kan niet ophouden met het
kijken naar mezelf. Zo had ik altijd willen zijn: rustig, op een bepaalde
manier mooi, maar vooral gelukkig. Het contrast van de witte dekens en mijn
zwarte hond is bijna symbolisch. Uren en uren kijk ik. Er bestaat niets anders
meer. Tot het beeld langzaamaan vervaagt. Het lijkt wel op te lossen. Het zwart
en wit mengen zich en worden grijs. Daarna verandert het in een dunne,
vluchtige mist. Tot er niets meer overblijft dan leegte.
Ook in mijn hoofd.
maandag 26 oktober 2015
Wit
Alles ging vlot. Iedereen schoof
netjes aan en de rij vorderde snel. Er was geen controle, niemand had bagage, er
moesten geen documenten getoond worden. Het maakte immers niets uit. Ondanks de
drukte was het stil. De stilte was zwaar en dik en vulde de ruimte. Ik kreeg
een voorzichtig maar aanmanend duwtje: de rij was weer gevorderd en ik had het
niet gezien doordat ik zo aan het rondstaren was.
Snel sloot ik aan, zonder om te
kijken wie me dat porretje gegeven had. Hier deed niemand nog moeite om een ander
te leren kennen. De lange rij waarin ik stond verdween in een grijze tunnel. Achter
me sloot een deur. Gelaten volgde ik de stroom. We liepen door een volgende
deur en vulden de zetels die er stonden. Er viel geen woord. Iedereen was in
zichzelf gekeerd. Over veiligheidsgordels werd er niet gesproken. Ze waren er
ook niet en dat deed me even cynisch grijnzen. De man naast me keek me koel en ongeïnteresseerd
aan. Ik probeerde me te focussen op iets anders maar er was niets. Alles was
wit, saai en steriel.
We vertrokken. Geluidloos en
haast onopgemerkt. Raampjes waren er niet maar ongetwijfeld was er aan de
andere kant net hetzelfde: saaie, steriele wittigheid. Ik keek zo onopvallend
mogelijk om me heen.
Er was iets veranderd. Alle medereizigers
waren kleurloos geworden. Buiten de kleur van hun huid en haar was nu ook alles
wit. Ook bij mij. Ik hapte naar adem. Ik wilde dit niet! Het was een
vergissing! Ik moest hier weg…
Ik trok aan mijn kleren alsof de
kleur daarmee zou terugkomen en stampte met mijn voeten op de grond. Maar het
had geen effect. Paniek nam het nu over. Zonder nadenken klauterde ik over de
man naast me, ik voelde hoe mijn ellenboog zijn kaak raakte. Hij reageerde
niet. Op de middengang keek ik opgejaagd om me heen. Wat nu? Naar waar nu?
Ik liep de gang af. Niemand keek
op of om. Eindelijk… een deur! Ik kwam in een sas terecht en wachtte tot de ene
deur dichtging en de andere zich opende. Het lukte! Ik sprong eruit. Vallen deed
ik niet. Ik stond gewoon een beetje verder. Alles om me heen was wit en
ondoorzichtig. Een verbetering was het blijkbaar niet. Ik hoorde een zacht,
sissend geluid: de deur sloot zich. Maar waar was ik? Ik kon nergens naar toe.
Een paar minuten geleden leek het
nog alsof er een doel en een eindbestemming waren, maar nu was er niets meer. Alles
stopte hier in dit witte vacuüm. Ik had spijt van mijn beslissing. Ik wilde
terug. In ieder geval wilde ik hier niet zijn. Weg! Vlug! Ik stapte naar de
deur waar ik doorgekomen was. Geen klink, geen bel. Niets. Ik klopte erop maar
er was geen geluid. Ik riep, maar mijn woorden werden meteen opgeslorpt en
bleven onhoorbaar. Ik klopte luider. Met al mijn kracht brulde ik de ziel uit
mijn lijf.
Het bleef stil. Angstaanjagend stil.
Ik liet mijn vingertoppen langs de naden van de deur glijden in de hoop iets te
vinden. Maar ik vond niets. Ik zette mijn nagels in de naad en begon te trekken
met al mijn kracht. Er kwam geen beweging in. Ik bleef roepen maar besefte dat
ik geen geluid produceerde. Plots zag ik een schermpje dat oplichtte. Er verschenen
woorden. De zinnen gleden traag voorbij en herhaalden zich voortdurend. Ik keek
ernaar, liet het doordringen en besefte het nu pas helemaal. Er was geen weg
terug.
‘Deze
deur opent zich alleen als er aan de andere kant iemand vrijwillig en met een
positief gevoel tegen duwt… Deze deur opent zich alleen als er aan de andere
kant iemand vrijwillig en met een positief gevoel tegen duwt… Deze deur opent
zich alleen als er aan de andere kant iemand vrijwillig en met een positief
gevoel tegen duwt… Deze…’
Langzaam liet ik mijn hoofd
zakken. De tekst doofde uit. Ik zakte op mijn knieën, huilend. Toen ik naar
mijn handen keek zag ik dat die ook wit geworden waren. De omgeving slorpte me
op. Alles verdween. Er restte alleen nog wit.
woensdag 2 september 2015
zondag 30 augustus 2015
Rilling
Heel voorzichtig kroop hij tegen mijn rilling aan.
Behoedzaam, om ze niet te verstoren.
Hij wou ze niet stoppen of onderbreken.
Hij wou ze voelen.
Helemaal.
Hij vroeg niets, maar onderging.
Ik liet het gebeuren.
In de hoop antwoorden te krijgen.
Antwoorden op het rillen.
Het schokken van mijn wezen.
Het duurde uren, misschien wel dagen.
Hij proefde, voelde, tastte, probeerde te begrijpen.
Maar de antwoorden kwamen niet.
Mijn wezen schokte voort.
Soms is een rilling is niet vertaalbaar.
woensdag 27 mei 2015
Repressie!
Lieve lezers,
Het Grote Smoelenboek (Facebook dus) heeft, zonder enige verwittiging, beslist dat T-time Tanneke niet meer mag bestaan.
Waarom niet?
Teveel vrienden, teveel succes en ja, waarschijnlijk ook wel één of andere jaloerse verbitterde (ja, jij daar, ik weet dat je dit leest) die me gerapporteerd heeft...
De stekker is er dus uit.
Tenzij ik mijn persoonlijk profiel omzet in een pagina.
En tja, daar hebben we niets aan.
Gedaan met foto's en berichtjes, reacties of mails.
Wat meer is: als ik alles omzet, dan ben ik ook alle berichten, foto's en jullie leuke opmerkingen kwijt.
Zomaar. Boem patat, de vuilbak in!
Zonder meer.
Zo belangrijk zijn wij, als gebruikers.
Wat nu? Geen idee. Ik wacht en zoek of ik het ongedaan kan maken, maar Facebook kennende is er weinig hoop.
Ze smeren me aan dat ik commerciële activiteiten voer via TTT.
Ik moet toegeven: het is héél erg commercieel om gratis verhaaltjes te posten. Je moest eens weten hoeveel me dat al opgeleverd heeft: veel glimlachjes, een verlegen blos, een goed gevoel, geluk, vriendschap, vertrouwen en vooral tonnen plezier. Zoiets moet uiteraard meteen bestraft worden!
Voor niets gaat de zon op in deze wereld.
In welke eeuw leven we nu weer?
Abonneren op:
Posts (Atom)



