woensdag 15 juni 2011

Het begin van het einde


Het was zijn leven geworden. Elke dag opnieuw. Elke werkdag werd gevuld met wachten.

Jaren geleden was hij op een wat ongelukkige manier aangenomen. Door zijn half verlamde been had hij een speciaal statuut. Daar kwam nog bij dat hij al wat ouder was. Nog een speciaal statuut dus. Met zijn specialisatie in ‘programmeeranalyse’ had hij dan nog een statuutje er boven op. En niemand wist wat ze met hem aan moesten. Maar hij moest wel tewerkgesteld worden. Dat deden ze dan maar. Hij kreeg een apart bureau op de vierde verdieping, aan het eind van de gang, dicht bij de mannen van IT. Zijn baas zei dat hij gerust zijn tijd mocht nemen om zich te installeren op zijn nieuwe werkplek. Zijn opdrachten zouden via het intern mailsysteem doorgestuurd worden. Na enkele minuten had hij zijn werkplek ingericht. Het wachten op werk kon beginnen.

Aan het eind van de dag was er niets binnen gekomen. Hij ging naar huis. Aan het eind van zijn eerste week voerde hij een test uit om te zien of eventuele opdrachten hem wel konden bereiken via het intern mailsysteem. Het werkte. Een week ging voorbij zonder één opdracht.

Jaren later ruimde hij zijn bureau op. Hij ging op pensioen. Jarenlang zat hij elke dag te wachten. Geen enkele opdracht was er binnengekomen. Zijn dag zag er altijd hetzelfde uit: binnenkomen, gaan zitten, computer aanzetten, wachten, computer afzetten en naar huis gaan. Zo ging het elke dag. Altijd maar wachten. Hij had nu een jarenlange ervaring opgedaan in het wachten en hij was er heel goed in geworden. Gek genoeg had hij zich nooit verveeld. Het wachten was zijn werk en dat nam hij ernstig op.

Nu was het wachten tot de grote wijzer op twaalf stond. Dan zat zijn allerlaatste werkdag erop. Wachten dus. Nog vijf minuten. Wat duurden die vijf minuten lang. Het was een ander soort wachten. Een onaangenaam wachten.

Om één minuut voor vijf hoorde hij een geluidje dat uit de computer kwam. Hij keek verbaasd naar zijn scherm. Hij las: “Dringende opdracht!”. Zijn eerste opdracht liep op dit moment binnen. Met een droge klik sprong de grote wijzer op de twaalf…



woensdag 8 juni 2011

Steekwoorden en miszegden (deel 2)

- de eindjes aan elkaar kopen
- een appeltje voor de vorst
- een fluitje van een vent
- ik heb met jou nog een eitje te pellen
- de zanger kreeg een staande ovulatie
- de kogel is door de kerkleider
- het is geen weer om een hond door te zagen
- huilen met de kraan open
- je moet de koe bij de uiers vatten
- de appelplukker valt niet ver van de boom
- een vreemde bijt in de eend
- eeuwig duurt het langst
- wat baten aars en bril als de uil niet kakken wil





Nog meer van dit? KLIK HIER

woensdag 1 juni 2011

Diep




‘Spring dan’, zei ze. ‘Vooruit! Spring nu! Dan is het meteen gebeurd.’ Ik keek haar aan en kromp wat ineen. Ik kon het niet. Het was zo diep daar beneden. Hoe zou het zijn? Zou het snel gaan? Springen en naar beneden suizen. En dan?
Ze duwde me resoluut wat verder. ‘Wees niet bang voor wat er komen zal. Kom, spring nu maar. We doen het samen. Jij en ik. We moeten hier weg. Het is tijd.’ Bij elk woord dat ze zei kromp ik verder ineen. Misschien lukte het me om zo klein te worden dat ze me vergat? Vanuit een ooghoek keek ik haar aan. Die vastberaden blik in haar ogen zei genoeg. Haar besluit stond al lang vast. Het was onomkeerbaar.
Heel voorzichtig keek ik nog eens naar beneden. Het was echt diep. Zo diep dat er misschien geen einde aan zou komen? Onoverkomelijk diep. Mama kwam me halen. Er was geen weg terug. ‘Kom’, zei ze. ‘Het is goed zo. Voor je het weet is het voorbij.’ Zacht, maar ook dwingend, duwde ze me tot aan de rand. Ik hield mijn adem in. ‘Daar ga je!’ riep ze en ze duwde me zonder mededogen het ijle in.
 Ik voelde de wind langs me heen gaan. Mijn ogen kneep ik zo hard mogelijk dicht. Het deed zelfs pijn. En toen... toen voelde ik hoe de wind onder mijn vleugels ging. Ik strekte ze uit, spreidde ze en voelde de kracht erin. Het was geen vallen meer. Het was vliegen. ‘Mama’, riep ik. ‘Ik kan het, mama!’ Van op de boomtak waarop we zaten keek ze goedkeurend toe. Mijn broertjes en zusjes tjilpten me bemoedigend toe.

woensdag 25 mei 2011

Verlichting

Ken je dat? Een neonlamp die de hele dag knippert boven je hoofd? Iedereen weet wel waarom dat zo is (de starter is stuk, het gas is op, …) maar niemand doet er iets aan. Het maakt me helemaal gek. Als ik ’s avonds thuiskom, knippert het nog voor mijn ogen.

Ik ging dan maar naar mijn diensthoofd. Om het geval uit te leggen. En als hij me niet geloofde moest hij maar komen kijken, zei ik stoer. Hij kwam niet kijken en ik heb geen idee of hij me geloofde. ‘Er wordt niets vervangen’, zei hij nors. ‘Er is geen budget.’ Daarmee was de kous af. Ik liet het er niet bij en zoefde met de lift naar beneden, in de kelder zat mijn maatje van de technische dienst. Het hele verhaal maar weer eens gedaan. Hij knikte begripvol. Hij kon het zich helemaal voorstellen. Hij kon me niet helpen. Er was geen neonlamp in stock, ze mochten niets bestellen en zodoende kon hij ze dus niet vervangen.

Na een week kon ik het niet meer uithouden. Tijdens de middagpauze spurtte ik naar de doe-het-zelf-zaak om de hoek en kocht met mijn eigen geld een andere neonlamp. Toen iedereen het kantoor verlaten had, zette ik mijn stoel op een bureau, klikte die rotlamp eruit en stak de nieuwe erin. Zo, dat had ik goed gedaan! Eindelijk terug rust.

Waar moest ik die oude lamp nu laten? Ik kon ze niet zomaar laten staan, dan kreeg ik zeker problemen met de baas. Zou ik ze bij de technische dienst zetten? Hm, nee, dat is ook geen optie, hun deur is op slot. Met mijn gezeur over die lamp zouden ze al snel weten wie het gedaan heeft. In mijn proeftijd kon ik me geen flaters veroorloven. Ik nam ze gewoon mee naar huis. In het weekend zou ik ze wel naar het containerpark brengen.
Op weg naar de metro keken de mensen me na. Het was geen zicht. Een man met een aktetas en een neonbuis van twee meter lang. Het was druk op het perron. Bij het instappen hield ik de lamp als een staf voor me uit, uit angst dat ze zou breken. Ik had eens horen zeggen dat dat niet zo goed was. In de metro was geen zitplaats meer. Ik bleef rechtstaan, dicht bij de deur. Bij elke halte stapten er meer en meer mensen in. Tijdens de rit dacht ik na over dat vreselijke containerpark. Ik begreep niets van sorteren. Waar moest je zo een lamp kwijt? Bij gevaarlijk afval? Bij het glas? Geen idee…
Ondertussen was de wagon goed gevuld. Mensen stonden dicht bij elkaar. Ik keek naar die vervloekte neonbuis. Vele handen omklemden het ding. Men dacht dat het een stang was om je aan vast te houden. Bij de volgende halte stapten nog meer mensen op. Nog meer handen omklemden het rotding. Ik vond het best zo. Bij de volgende halte liet ik de buis los. Met een glimlach wurmde ik me door de menigte en stapte ik van de metro. Toen die wegdenderde kreeg het spreekwoord ‘vele handen maken licht werk’ een hele andere dimensie…