woensdag 18 mei 2011

De tijd zal het leren



Zijn lege blik, die ongemakkelijke houding naast de chauffeur. De wrange trek om zijn mond, zoals een kat die begint te spinnen als ze pijn heeft. Het verlangen om over zijn schouder te kijken, maar het niet durven, het niet willen zien.
Het blauwe licht dat regelmatig weerspiegelt in de ramen van de huizen die ze voorbij snellen. De jammerende sirene op drukke kruispunten. Het wijken van het verkeer. De koelbloedige handelingen van de bestuurder. De blik van de vrouw die hem indringend aankijkt, hem niet kent, maar over hem zal schrijven.
De aankomst in het ziekenhuis. Zijn kwieke tred, ondanks zijn hoge leeftijd. Het besef dat de tijd daar kan zijn. de angst voor het alleen verder moeten. Haar hand die de zijne zoekt en waarin hij zachtjes knijpt. Het gevoel van berusting, maar ook van verzet. Nu nog niet, nee, nu nog niet.
De glimlach van de dokter, de stevige handdruk, het geruststellende schouderklopje. Het nieuws dat alles in orde komt. De woorden: het is haar tijd nog niet, u bent ze nog niet kwijt. Het pak dat van zijn schouders valt.
Het behoedzaam betreden van de kamer, onder de indruk van de apparatuur. Het aftasten van de omgeving en de ultieme verlossing bij het horen van haar stem: ‘Ge hebt de vuilzak toch wel buitengezet deze morgen?’

woensdag 11 mei 2011

........................De gevlekte Theepotaurus....................

Ik liep een keer te dromen in de regen
toen kwam ik de gevlekte Theepotaurus tegen.
Ik wist dat hij het was (en niet de Theepodont)
omdat het duid’lijk op zijn lijf geschreven stond.
Hij scheen mij niet te zien, maar ik bleef even staan
en sprak hem heel beleefd – in vele talen – aan.
Ik vroeg hem hoe het ging in Theepotaurusland,
of je daar zoute haring at, of borstplaat van fondant.

Of iedereen daar kleren droeg, of enkel maar zijn vel,
of elke hoed een veertje had, en ieder huis een bel.
Of je de was deed in een emmer of een teil,
of hun muziek ééntonig was, en alle bergen steil.
Of het niet lastig was, zo’n Theepotaurustuit
als je verkouden bent en dikwijls in je zakdoek snuit.

De Theepotaurus keek mij vaag, ja bijna somber aan,
ik zag zijn deksel één seconde in de hoogte gaan…
Toen liep hij door. Met grote, slome passen.
Zijn staartpunt slepend door de modderplassen
verdween hij om het hoekje bij de brug.
Ik dacht: Daar gaat hij. En ik zag hem nooit terug.

Nu denk ik vaak nog aan die regenwandeling,
toen er zómaar een Theepotaurus door de straten ging.
Had hij een kopje Theepotaurusthee geschonken,
ik had er vast gezellig even van gedronken.
Maar nee – gezellig was hij niet, dat staat nu toch wel vast,
en vrolijk zijn vond hij waarschijnlijk ongepast.
Tóch was het aardig dat ik hem daar zo ontmoette
en hij mij vluchtig even met zijn deksel groette.




Uit: Diet Huber: Letje Annabetje Bot (Uitgeverij Leopold, 1981)



woensdag 4 mei 2011

Het liep uit de hand

Opa keek met een wrange glimlach naar de buitelende apen. Zijn kleinzoon vond het geweldig. Van alle dieren in de Zoo kon hij hier het langst naar kijken. Ze deden zo gek en konden zo druk tekeer gaan dat je niet wist waar je eerst naar moest kijken. Anton keek breed lachend op naar opa. Maar die lachte niet. Anton begreep het niet goed. Opa vond de Zoo toch ook leuk? Hij had Anton zijn hand nog niet losgelaten en kende de weg op zijn duimpje. Anton genoot met volle teugen. Maar nu, bij de apen, verslapte de greep van opa’s hand. Zijn glimlach was een vreemde grimas geworden.

‘Opa, vind je het niet leuk?’ Anton trok aan zijn arm. Opa hoorde hem niet. Anton kneep eens goed in die grote, ruwe hand. Dat was altijd hun grapje. Af en toe kneep opa in Antons hand. Als Anton dan vroeg waarom opa dat deed, dan antwoordde hij altijd: om te voelen of je er nog bent. Nu keek opa wel. Zijn ogen stonden op ver weg. ‘Wat is er nu, opa? Voel je je niet goed? De apen zijn zo leuk!’

‘Ach, Anton’, zei opa. ‘Kom, we gaan iets drinken en ik trakteer je op een ijsje. Dan vertel ik je een verhaal.’ Antons ogen begonnen te blinken. Dat was opa op zijn best. En dat ijsje was mooi meegenomen. Ze zochten een plaatsje uit op het drukke terras. Anton koos een aardbei-ijsje en opa zette zich achter een donkere trappist.

‘Er was eens een jongetje dat woonde in een land ver van hier. Het was niet zomaar een jongetje. Het was een erg stout jongetje. Als zijn mama zei dat hij niet buiten mocht spelen, kwam hij uren later binnen met modderschoenen en vuile kleren. Als zijn papa hem zei dat hij zijn huiswerk moest maken, dan stak hij dat zo diep mogelijk weg in zijn boekentas. Hij luisterde echt nooit. Op een dag had het jongetje het weer te bont gemaakt en zijn vader nam hem mee op een wandeling door het woud. Er leefden heel wat gevaarlijke dieren in het woud en daarom zei de vader dat het jongetje zijn hand goed moest vasthouden en bij hem moest blijven. Het jongetje knikte onverschillig en mompelde iets als ‘jaja, papa’. Ze waren nog geen kwartiertje aan het wandelen toen het jongetje een mooie klimboom zag. Hij rukte zich los en voor vader wist wat er gebeurde zat het jongetje al in de top van de boom. Vader werd heel boos en riep dat hij onmiddellijk naar beneden moest komen. Het jongetje kreeg een hele bolwassing: ‘het is daarboven gevaarlijk. En daarbij, je bent toch geen aap? Kinderen lopen op de grond en apen klauteren in bomen. Jij blijft dus op de grond. Begrepen?’ weer knikte het jongetje onverschillig en mompelde hij iets als ‘jaja, papa’. Vader hield het jongetje nu goed vast. Hij kende zijn zoon immers goed genoeg. Maar aan het eind van het woud stond zo een grote boom met superhandige klimtakken dat het jongetje zich loswrikte uit de greep van zijn vader. Toen hij bovengekomen was, haakte hij zijn benen aan een tak en riep ondersteboven: ‘kijk eens wat ik kan!’ Maar vader keek niet. Vader was woedend. ‘Je luistert echt nooit! Apen horen in bomen en kinderen op de grond. Je bekijkt het maar. Ik ga naar huis. De groeten!’ Vader stapte verder. Het jongetje riep en riep: ‘papa, wacht, ik zal altijd luisteren, ik heb er zo een spijt van!’ Maar vader stapte verder. Angstig keek het jongetje om zich heen. Hij was omringd door apen die nieuwsgierig op hem af kwamen. ‘Welkom! Welkom!’ krijsten ze, ‘welkom in ons woud!’. Dikke tranen bengelden over zijn wangen. ‘Ik wil naar hui-ui-uis!’ weende hij. ‘Ach, wat jammer’, zeiden de apen, ‘dat gaat nu niet meer. Het woud is nu je thuis. Je woont nu bij ons.’ Het jongetje keek verschrikt naar zijn handen. Dat waren geen jongenshanden meer, maar apenhanden. Ook zijn armen, benen, zijn gezicht.... hij was een aap! ‘Je hoort nu bij ons’, zei één van de apen. ‘Ooit waren wij ook allemaal kinderen die niet luisterden...’

Opa nam een grote slok van zijn trappist. Anton likte zwijgend verder aan zijn aardbei-ijsje. Straks zou hij opa's hand weer stevig vasthouden...


woensdag 27 april 2011

Steekwoorden en miszegden

                                             
                                             - met veel wijven en zessen
                                             - de hoofdschotel afvogelen
                                             - iemand dood maken met een blije mus
                                             - het regent tranen met tuiten
                                             - van een speld een hooiberg maken
                                             - manengeur en rozenschijn
                                             - hoe steekt de vork in de keel?
                                             - de put dempen met een verdronken kalf
                                             - er met kop en schotel bovenuit steken
                                             - met de feiten op de neus gedrukt worden
                                             - hij kwijlde helemaal weg
                                             - even polstokhoogte nemen
                                             - met het goede been uit het verkeerde bed stappen 


woensdag 20 april 2011

Profiel

Het is maar een vaststelling en al helemaal niet die van mij. Het dwarrelde hier zomaar de wandelgangen binnen...

woensdag 13 april 2011

Dicht bij mij




Het enige dat me nog van je restte was je geur. Ze zweefde vluchtig, maar toch stevig tussen mijn neus en bovenlip. Ze maakte me gelukkig. Ik nam je zo een stukje mee. De autosnelweg was donker. Weinig verkeer op dit late uur. Ik voegde me in, tussen de witte lijnen. Omhuld door je geur. Dicht bij mij. Een ziekenwagen reed in de tegenovergestelde richting. Jij en ik raakten verder van elkaar verwijderd, maar toch was je dicht bij mij.

Je kuste me die avond. Lief, warm en met veel aandacht. Alleen voor mij. Je drukte die kus op mijn lippen en je stempelde je geur er bij. Ik merkte het pas op toen ik in de koude auto stapte. Je rook zo dichtbij dat ik even op de zetel naast me voelde om zeker te zijn dat je er niet zat, in het donker. Maar dat was niet zo. In de achteruitkijkspiegel zag ik de blauwe zwaailampen van de ziekenwagen in de verte verdwijnen.

Mijn lippen waren droog. Ik durfde ze niet te bevochtigen. Misschien was je geur dan weg. Ik wou dat wolkje daar houden. Dicht bij mij, vluchtig maar toch doordringend. Dicht bij mij. Voorzichtig haalde ik mijn bovenlip wat dichter bij mijn neus en sperde ik mijn neusgaten open. Ja, dat was jij. Zeker weten. Mijn lippen brandden ondertussen. Voorzichtig toch wat aan likken met het puntje van mijn tong. Je geur bleef. Gelukkig maar. Het donker op de autosnelweg werd compleet. De verlichting was gedoofd. Er reden bijna geen auto's meer. Het leek of ik opgeslokt werd. Maar ik voelde me veilig, omhuld door jou.

Op de radio een verkeersbericht: oprit afgesloten wegens ongeval. De oprit die ik daarnet genomen had. Eventjes geleden, na die kus. Ik stond er niet bij stil. Thuis zou ik nog wat lezen, daarna slapen. Zou ik je dan nog kunnen ruiken? Zou ik in slaap kunnen vallen met de gedachte dat je bij mij bent? Het zou mooi zijn. Waarom brandden mijn lippen toch zo?

Ik heb je niet meer gekust sindsdien. Een vrachtwagen ramde je op de oprit. Je zou er niet veel van gemerkt hebben, zeiden ze. Je was weg. Je geur vervaagde, stilletjes. Af en toe was je er weer even. Een vlaagje jij passeerde dan.

Ik keek om, zocht je, met brandende lippen.


woensdag 6 april 2011

Op en top

Soms, als de wereld weer eens te snel draait voor mij of als ik even genoeg heb van de mensheid, dan neem ik de trap. Hoger en hoger, tot er geen tree meer is. Ik ga richting sterrenhemel en daar laat ik mijn zorgen de vrije loop. Recht de ruimte in. Er is geen betere plaats hiervoor dan op het dak van dat flatgebouw. Als ik hier zit, dan kan de wereld onder me, me even niets meer schelen. ’s Avonds als ik thuiskom, moe en kregelig, dan zoek ik de hogere sferen op, gevuld met rust en vrede. Ver weg van de wriemelende mieren-mensenhoop en het hectische verkeer.

Hier, lieverd, hoog op mijn dak, zit ik goed. Hier kan ik me alles wensen. Wat zou ik graag hebben dat je met me meeging naar daarboven. ’s Nachts krijg je een spetterende sterrenshow. Helemaal gratis. Dit alles wil ik graag met je delen. Hier, in het midden van deze drukke, doldraaiende stad, heb ik een instant paradijsje gevonden.

Soms, als de wereld te snel draait voor jou of als je even genoeg hebt van de mensheid, bedenk dan dat er plaats genoeg is voor twee. Hier op het dak.