Zijn lege blik, die ongemakkelijke houding naast de chauffeur. De wrange trek om zijn mond, zoals een kat die begint te spinnen als ze pijn heeft. Het verlangen om over zijn schouder te kijken, maar het niet durven, het niet willen zien.
Het blauwe licht dat regelmatig weerspiegelt in de ramen van de huizen die ze voorbij snellen. De jammerende sirene op drukke kruispunten. Het wijken van het verkeer. De koelbloedige handelingen van de bestuurder. De blik van de vrouw die hem indringend aankijkt, hem niet kent, maar over hem zal schrijven.
De aankomst in het ziekenhuis. Zijn kwieke tred, ondanks zijn hoge leeftijd. Het besef dat de tijd daar kan zijn. de angst voor het alleen verder moeten. Haar hand die de zijne zoekt en waarin hij zachtjes knijpt. Het gevoel van berusting, maar ook van verzet. Nu nog niet, nee, nu nog niet.
De glimlach van de dokter, de stevige handdruk, het geruststellende schouderklopje. Het nieuws dat alles in orde komt. De woorden: het is haar tijd nog niet, u bent ze nog niet kwijt. Het pak dat van zijn schouders valt.






