woensdag 24 maart 2010

Geheugensteuntje

Elke morgen ga ik naar de bakker om de hoek. Een half wit, gesneden. Op zaterdag stap ik nog wat verder, naar de dagbladhandelaar. Daar koop ik mijn doosje sigaren. Nu Yvonneke dood is, heb ik daar een gewoonte van gemaakt. Een beetje troost voor de eenzaamheid. Al twee jaar ben ik alleen nu. Het meeste mis ik ons dagelijks potje kaarten. Yvonneke won bijna altijd. Ik vond dat haar ogen zo mooi fonkelden als ze won. Af en toe kon ik het niet laten en won ik zelf. Dan ging ze in de zetel aan het raam wat mokken. En dan bracht ik haar een tasje koffie. Of was het thee? Ik weet het niet meer zo goed. Dat overkomt me wel vaker de laatste tijd. Onlang kreeg ik bij de bakker een scheurkalender. Ik dacht dat ik dan goed zou weten welke dag het was, elke dag. Maar ik kan me meestal niet herinneren of ik nu al een briefje van de kalender getrokken heb of niet. De dokter zegt dat het normaal is dat ik die dingen vergeet op mijn leeftijd. Alsof ik daar iets aan heb! Maar ik denk dat ik iets gevonden heb. Ik zag een nieuw soort hoofdkussen. Het lag in de etalage van de winkel. Het had een hele rare vorm. Een mooie vrouw stond er op de foto. Zij lag zo mooi recht op dat kussen. Maar het was vooral de tekst die erbij stond die me interesseerde: “Schuimkussen met geheugenfunctie”. Dat stond er. Jaja, tegenwoordig vinden ze de gekste dingen uit! Ik kan dat al lang niet meer volgen. Maar dit leek me wel wat. Want dat vergeten, dat vind ik echt niet leuk. Zaterdag was ik zelfs twee keer sigaartjes gaan kopen. Fons van de winkel moest er mee lachen. Ik niet. Op de terugweg heb ik dat kussen gekocht. Als ik dan ’s nachts daarop slaap, dan zal dat mijn geheugen versterken en ervoor zorgen dat ik niets meer vergeet. En dat Fons niet meer met mij lacht.

Al een week slaap ik nu op dat vreemde hoofdkussen. Na enkele minuten zakt mijn hoofd er wat in weg. Maar dat zal wel zo moeten met die geheugenfunctie. Dezemorgen stond de zoon van de bakker aan de deur. Met een half wit. Gesneden. Ik had het betaald, maar was het vergeten mee te nemen. En een paar dagen geleden kwam ik bij Fons in de winkel voor mijn sigaartjes. Hij lachte weer: ‘Het is toch geen zaterdag, Richard! Zijn uw sigaartjes al op?’ Hij maakt me dan zo kwaad, he! Toen ik thuiskwam heb ik dat kussen terug ingepakt. De foto van de mooie vrouw er netjes bij in gestoken. Dat kussen helpt niet! Die moderne dingen werken niet. Ik was vastbesloten: dat kussen ging terug naar de winkel!

Maar waar heb ik dat kasticketje nu weer gelegd?



vrijdag 5 februari 2010

WINTERZEE

'We took a boat on Sunday
down by the sea.
It just felt so nice,
you and me.
We didn't have a problem
or a care,
and all around was silence,
everywhere.'
Supertramp, Downstream.


I.

‘Kijk niet om’, zei hij, ‘je mag niet omkijken naar datgene wat je achtergelaten hebt, neen, nooit omkijken’, ging hij verder en keek toen zélf over zijn schouder. ‘Nooit omkijken’, herhaalde hij en struikelde over een plassend hondje. Hoofd op bloembak. Op slag dood. Nek gebroken. Dat zag je zo. Ik liep verder. ‘Niet omkijken, niet omkijken naar datgene wat je achtergelaten hebt, neen, nooit omkijken’. Hij had het zelf gezegd. Het hondje drentelde me blaffend voorbij. Toch omkijken? Neen, er zou toch niets te zien zijn door al die sensatiezoekers die toestroomden. Om een dode man te zien. Nek gebroken. Bloed op de bloembak. Bloed van de man die daarnet nog langs me liep. Niet omkijken. En wie was hij eigenlijk? Ik wist het niet en zal het nu ook nooit te weten komen.

Het was allemaal begonnen op een druilerige dag in de zomer. Ik liep ’s morgens steeds dezelfde route, op steeds hetzelfde tijdstip, naar steeds hetzelfde werk. De meeste toeristen sliepen dan nog en de straatjes lagen er dan ook maar triestig bij. En verlaten, vooral verlaten. Waarschijnlijk heeft hij me daardoor opgemerkt? Ik heb het hem nooit gevraagd. Wel spijtig. Toch eens omkijken? Neen, verder gaan. Op één van die ochtenden zag ik hem ook, want hij had mij al gezien. Hij lachte. Geen lachje voor de mensen die groenten en fruit (alles vers, stond er elke dag in dezelfde letters op het bord) kochten bij hem en die ‘dankuwel en tot ziens’ zeiden, neen, het was een andere lach, een ... , nou ja, gewoon anders. Wat een raar ventje, dacht ik toen. Ik lachte zwakjes terug. Misschien heeft hij dat – hij stond aan de andere kant van de straat – zwak lachje nooit gezien? Ik betrapte me erop dat ik toch wou omkijken naar de flikkerlichten en het geloei van de sirenes. Hoe stom. Het is toch te laat. Nek gebroken. Daar kunnen zwaailampen en hels geloei niets aan verhelpen. De volgende dag was er weer dat lachje dat anders was, zelfs spontaner, want ook zijn hand ging de hoogte in en, warempel, hij zwaaide naar me! Ach, waarschijnlijk een vrolijk mens, dacht ik en ik lachte breed terug.

Op een matte namiddag zijn we elkaar tegen het lijf gelopen. Niet echt, natuurlijk, want ik had op voorhand gezien dat hij me ook gezien had. ‘Hallo’, zei hij een beetje onwennig. Ik groette terug en stond maar een beetje rond te draaien. Tja, wat kan je zoal zeggen tegen een vrolijk lachend en zwaaiend ventje dat elke dag ‘alstublieft, dankuwel en tot ziens’ zegt tegen mensen die groenten uit blik maar niets vinden? Hij wist het ook niet en vond geen plaatsje om zijn handen (wat had hij vuile nagels!) te verbergen. ‘Blijf je hier staan? Over enkele ogenblikken regent het, aan de lucht te zien. Ga je mee een koffie drinken?’ Dat had hij erg handig opgevangen, onmiddellijk iets aangeboden en zoveel woorden na elkaar gezegd. Nu moest ik wel iets zeggen. ‘Goed’, probeerde ik. Ik had duidelijk geen inspiratie. ‘Goed, gaan we dan aan de dijk zitten? Meteen uitzicht op zee.’ Dat was raak, vernam ik later. Hij hield zielsveel van die golven en schuimkoppen.

De ambulance reed me voorbij, zonder loeiende sirenes of zwaaiende lampen. Ze hadden het dan toch gesnapt: niets meer aan te doen. Enkel de bloembak een beetje afspoelen. Nu was er geen reden meer om nog over mijn schouder te kijken. Neen, nu was er enkel, ginder voor me, de zee.


II.

Hoelang zaten we daar in dat rustige en goedkope café? Ik weet het niet meer. Veel werd er niet gezegd. De gebruikelijke vragen: ‘hoe heet je? Werk je hier? Hoe oud ben je? Woon je hier? Studeer je?’ Die vragen kwamen niet allemaal in één keer natuurlijk. Stilte was er genoeg en gelukkig viel de muziekinstallatie van het café uit. Ook goedkoop spul waarschijnlijk. Nu kon je horen hoe de golven aanspoelden en tegen de dijk te pletter sloegen. Steeds weer. Onophoudelijk. Hij genoot er van, zak ik, toen ik stiekem naar zijn dromend gelaat tuurde. Die stilte. Geen woorden tussen ons. Niet storend, maar rustgevend. Hij bestelde nog een koffie. ‘Ik betaal’, haastte ik me, ‘omdat jij me meegelokt hebt met de smoes dat het weldra zou regenen.’ Hij lachte en keek me geamuseerd in de ogen. Het regende niet en dat zou het vandaag ook niet meer doen. De wolken waren weggetrokken. Net op tijd om de zon te zien ondergaan zijn blik droomde alweer weg, over de zee, de golven, het gekabbel en het geklots. ‘Vroeger zei mijn grootvader altijd dat je heel stilletjes moest zijn als de zon in zee onderging’, het was alsof hij tegen zichzelf praatte. Ik vroeg me af of het niet al te absurd was dat ik hier in een doodstil café met een melancholische, onbekende man koffie zat te drinken. Hij opende zijn mond om verder te gaan. De ober onderbrak hem: ‘alsjeblief, twee koffie, dat is dan twee tachtig alstublieft’. Ik gaf hem het geld en keer verwachtend naar dat malle groenteventje. Zijn ogen rustten, ginder ver, op de einder. Zonder op te kijken deed hij twee klontjes in zijn koffie. Ik wachtte nieuwsgierig af of hij zijn lepeltje ook zou vinden. Er lag geen. Eén lepeltje per twee. Minder afwas. Goedkoop café. Hij zocht niet, verteld verder. ‘Als je heel stil bent en heel goed je oren spitst, kan je het horen sissen als de zon het water raakt, dat beweerde mijn grootvader. Steeds weer. Maar ik het, na al die jaren, nog altijd niet gehoord. Jij?’ verbaasd schudde ik het hoofd en bekende dat ik er eigenlijk nog nooit op gelet had.


Ik keek toch om. Het kon nu geen kwaad meer. Er was niets meer te zien. Enkele kuierende mensen en een plas water rond de bloembak. Zelfs het hondje was verdwenen. Het was zinloos om om te kijken naar iets dat je achtergelaten had. Ik draaide me om en ging een eindje de golfbreker op.

Hij dronk van zijn koffie. ‘Bah!’, zei hij plots en trok zijn neus op. Nu ziet hij er nog gekker uit, grinnikte ik in mezelf. ‘Die koffie is zo zoet’, zei hij. ‘Je hebt er daarnet twee klontjes in gedaan, misschien komt het daardoor?’ vroeg ik. ‘Ik? Heb ik klontjes in mijn koffie gedaan? Ik drink mijn koffie altijd zwart!’ Vreemd, heel vreemd. Bij de vorige kop had hij er melk in gedaan. ‘Ach, ik ben weer een beetje verstrooid’, glimlachte hij verontschuldigend en dronk moedig enkele slokken. En weer die stilte alsof hij alleen aan het schamele tafeltje zat. ‘Wil je nog iets drinken?’, vroeg hij plots? Ik schrok op. Had hij gezien dat ik hem zat aan te staren om te zien wat er achter dat gekke ventje zat? ‘Dank je, ik zou beter eens opstappen. De zon is al weg, zonder gesis en straks is het donker.’ Hij schoof zijn stoel achteruit. Het oude ding kraakte vervaarlijk. ‘Ik loop nog een eindje met je mee. Ik moet toch die kant op.’

III.


Het waaide duchtig. De golven sloegen hoog op en bespatten mijn voeten. Nog verder, verder die woestheid in tot aan de laatste steen van de golfbreker. Fijne druppels plensden op mijn gezicht. De zilte wind leek wel streepjes te trekken op mijn huid. Ginds, achter die ondoordringbare wolkenmassa, gaat nu de zon onder. Maar de wind en de golven waren te luidruchtig om dat sissen te horen.

Hoeveel keer hebben we daarna nog in dat goedkoop cafeetje gezeten? Ik heb het nooit geteld. De ober beschouwde ons als stamgasten en riep van ver, als we nog maar net binnenkwamen, ‘twee koffie!’. Goedkope manieren, dacht ik. Alles paste hier perfect in elkaar. Waarom zaten we nu precies in dit café uren met elkaar te zwijgen en te wachten op zonsondergang? Het maakte eigenlijk niet veel uit waar we zaten. Het was niet belangrijk. En ik begreep het niet. Het was allemaal zo vreemd: dat vrolijk ventje dat ’s morgens altijd zwaaide en lachte, bleek helemaal niet zo vrolijk en uitbundig te zijn. Hij zat daar soms uren. Uren zonder ook maar één glimlach. Enkel maar een rimpel in zijn voorhoofd. Ik zou hem ooit vragen vanwaar die rimpel komt, nam ik me voor.

De ambulance was uit het zicht verdwenen. Naar waar zouden ze hem brengen? Wat gaan ze met hem doen? Wat doen ze met een groentemannetje dat zijn nek gebroken heeft door de schuld van een idioot hondje? Wat doen ze met het hondje? De wind werd sterker. De golven werden hoger en sloegen met een enorme klap en duizenden witte spatten uiteen. Mijn voeten waren nu helemaal doorweekt. Zou de zon al ondergegaan zijn? Die verdomde wolken. Over enkele ogenblikken zou het wel regenen, aan de lucht te zien.

Hij raadde mijn gedachten, zo leek het wel. Plots begon hij te vertellen dat het nooit geboterd had tussen zijn ouders en hem. ‘De generatiekloof, weet je wel? Daar kan je altijd de schuld op steken.’ Hij grinnikte eens. Toen hij niet geslaagd was in zijn eerste jaar aan de universiteit was het niet meer uit te houden. Hij is toen op zoek gegaan naar werk. Gespaard tot hij een klein huisje kon huren. Weg van de generatiekloof. ‘Dat deed me echt goed’, vertrouwde hij me toe. ‘zo helemaal alleen zitten met enkel jezelf en je spulletjes en zo. Ja, dat vond ik echt fijn, maar later kwamen dan de geldzorgen. De huur was een groot probleem. Bij mijn ouders kon ik niet meer aankloppen. Alsof ik dat ooit zou doen.’ veel meer gaf hij niet prijs. Maar ik wist nu toch dat het een geldzorgenrimpel was. Spijtig vond ik dat. Spijtig dat het nu net een geldzorgenrimpel was. Neen, dat paste niet bij zijn ochtendlijke groet.

Nu zullen ze zijn ouders wel verwittigen, dacht ik. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes voor het opwaaiende zand. Ja, de telefoon zal rinkelen en een monotone stem zal zeggen: ‘het spijt me, maar uw zoon is een uur gelden omgekomen bij een ongeval.’ Ze zullen denken aan botsende auto’s en ergens daartussen hun verloren zoon. De gedachte aan een bloembak en een hondje zal niet eens bij hen opkomen. Hun zoon is dood. Misschien spijt het hen toch wel een beetje? Dat moet toch wel, dacht ik en trok mijn hoofd in mijn schouders tegen het zand, de wind, het water en de snijdende kou. Net zo’n dag als die eerste zwakke glimlach, misschien een beetje anders, maar dezelfde sfeer. Nu was het alleen geen zomer meer en de toeristen waren op een goede dag allemaal als werkmieren aan het inpakken van souvenirs en badkostuumpjes begonnen. Kort daarop was het stadje weer leeg. Uitgebloeid. Leeggezogen. Een jaar tijd om weer op krachten te komen. Om weer leeggezogen te worden. Domme handel.

IV.

‘De zee is het mooist in de winter’, zo verbrak hij plots die deinende stilte. ‘Dan is ze zo anders, meer zichzelf dan in de zomer, met al die badgasten. Ja, de winterzee is het mooist. Een heel andere kleur ook, grauwer. Woestere golven en geen mens op het strand. Misschien daardoor dat het mooier is?’


Een filantroop was hij niet, dat mannetje dat zijn liefde bekende aan de zee. Zijn zee, die altijd weerkeerde en zich daarvoor even terugtrok. Om terug te komen. Hij zat niet graag tussen massa’s mensen, niet graag op de tram, liep zelden over de markt en kon niet begrijpen dat ik het soms zalig vond om in die mensenwolk te verdwijnen. Omdat er dan zoveel gezichten zijn om aan te gapen, dat je de rest even vergeet. ‘Niets voor mij’, zei hij resoluut. Misschien daarom dat we steeds in dit goedkoop café belandden waar we meestal de enige bezoekers waren. Ik stoorde me er niet meer aan. Was er aan gewoon geworden dat de enige langspeelplaat (Non, je ne regrette rien, Edith Piaf) vol krassen zat en soms onvindbaar was. ‘Je moet eens komen kijken in de winter’, raadde hij me aan. ‘Dan is alles veel stiller, het commerciële dier is dan uitgehongerd en dient tot voedsel voor het volgende. Alles gebeurt in grootse rust en geduld. Kom maar eens af, hier is mijn adres.’ De oude stoel schuurde weer over het versleten parket. Hij knoopte zijn jas dicht en zei: ‘Dag, ik moet nu gaan. Anders mis ik mijn tram.’ Nog voor ik iets terug kon zeggen was hij weg. Hij ging de andere kant van de tramhalte op. Waarom wachtte hij niet op mij? Waarom zo haastig? Had hij genoeg van me?

De meeuwen waren er plots. Ik had ze niet zien komen. Ze waren er toen ik omhoog keek. Ze cirkelden om me heen, zweefden op de stroeve wind en krijsten. Oorverdovend. Onophoudelijk. Ze lachen me uit, dacht ik. Ze krijsen van spot omdat ik toen dacht dat hij me minachtte. ‘Hoe kon ik dat nu weten?!?’, riep ik naar de krijsende vogels. ‘Hoe kon ik dat nu weten?!?’, riep ik nog eens. Ze bleven krijsen. Mijn trommelvliezen trilden.

De ober bespaarde zich al de moeite om van ver te roepen ‘Twee koffie, twee!’. Ik vermoedde dat de koffie al ingeschonken was als we binnenkwamen. Een thermos vol koffie. Dat was gemakkelijker. En goedkoper ook.


Hij gaf geen verklaring voor zijn plotse verdwijnen van de vorige keer. Enkel maar staren. Hij grabbelde verstrooid naar de klontjes. Ik had ze weggenomen uit vrees dat ik toch eens in een onbeschaamde schaterlach zou uitbarsten. Dat zou die kitscherige luchter aan het plafond niet uithouden. Hij keek plots bestraffend naar me. Even dacht ik dat hij boos ging worden. Toen glimlachte hij weer. ‘Je kent me al, zie ik.’ Ik keek hem vragend aan. ‘De klontjes’, zei hij en hij grinnikte. Als hij glimlacht of grinnikt dan is de geldzorgenrimpel even weg. Dat viel me nu pas op. Ik knikte. Hij staarde alweer. De regen kletterde tegen de ruiten. Geen mens op straat. Bange, flauwe, weke toeristen, dacht ik. Er viel een druppel op zijn pakje sigaretten. Ik grijnsde. Het regende binnen. Waarom verschoot ik daar zo van? Dat was toch te verwachten? Hij stoorde zich er in ieder geval niet aan en de ober kwam rustig achter zijn lege toog vandaan om een kom op tafel te zetten. De druppels pletsten met een opvallende regelmaat in de kom. Een hoogst aangenaam geluid, vond ik. Als een gespannen elastiekje, maar dan zuiverder. ‘Wat zou je ervan denken als ik verliefd zou worden? Op jou.’ Ik keek geschrokken op. De druppels hadden me afgeleid en ik had niet verwacht dat hij zo zijn eeuwig en rustig staren zou verbreken.


V.

Het was niet meer om aan het horen. Dat hels gekrijs. Ik zette het op een loopje, naar de volgende golfbreker. De achtergebleven plassen spatten hoog op als ik er een voet in zette. Ik voelde het water tot aan mijn gezicht. Op mijn lippen. Zout. Als tranen. ‘Wat doe ik eigenlijk?’, mompelde ik en om daar een antwoord op te vinden stond ik prompt stil en lachte... Ik vluchtte voor een paar krijsende meeuwen. Ze hadden waarschijnlijk alleen maar honger. Geen toeristen meer die de korstjes van het brood op het strand wierpen. Mensen zitten verkeerd in elkaar, vooral op vakantie. In de zomer brood uitdelen aan die schreeuwers en ’s winters zijn ze weg. Vreemd. De volgende golfbreker. Zonder gekrijs. Enkel het klotsen van de golven en de witte schuimkoppen die opengereten werden.

‘Ik, ..., ik weet het niet’, stamelde ik. ‘Nog nooit aan gedacht eigenlijk, nooit bij me opgekomen. Ik denk dat ik het niet zo fijn zou vinden. Neen, je weet wat ik van de liefde vind. Dat heb ik je verteld. Vriendschap is me veel dierbaarder. Ik...’ Wat moest ik in hemelsnaam zeggen? Hij had niet gezegd dat hij verliefd was op mij. Hij had gezegd ‘wat zou je ervan denken als...’. In totale verwarring en zelfs radeloosheid keek ik eens naar hem. Hij zat me met een innemend trekje om de mond aan te kijken. ‘Het was maar een vraag’, zei hij. Hij redde me zo uit mijn zoektocht naar woorden. Ik wilde nog iets zeggen, maar hij zei vlug: ‘stil nu! De zon gaat net onder.’ Stilte. Zelfs de ober snoerde zonder een greintje spot Edith Piaf (Le chant d’amour) de mond. Ik roerde wat in de kleverige suikerpap die in mijn kopje was achtergebleven. Gelukkig had hij iets gezegd voor ik dat deed. Anders had ik zeker en vast iets heel doms gezegd, bedacht ik. ‘Heb je niets gehoord?’, vroeg hij. Ik schudde traagjes van neen. ‘Ik denk echt dat ik iets gehoord heb deze keer.’ Zijn ogen fonkelden. Ze fonkelden altijd als hij een grapje maakte. De platendraaier kraste alweer. Hij stak een sigaret op. De rook kringelde rond de luchter. Stilte. Weeral stilte. Benauwend deze keer. Ik wist niets te zeggen. Als hij nu alsjeblief maar niet verliefd is. Niet op mij.

Het begon te regenen. Zachtjes. Het stoorde niet. Zover ik kon zien was er zand en water. Niets bewoog buiten dat. Waar zou hij nu zijn? Waarschijnlijk in zo’n vriesvakje. Wachtend op zijn ouders. Als zij nog leefden, tenminste. Eigenlijk wist ik zo goed als niets van hem. En had ik niet teveel van mezelf prijsgegeven? Ik wist het niet. In de verte landden de meeuwen. Stilte. Enkel de wind huilde.

‘Morgenvroeg ben ik weg. Het academiejaar begint dan. Ik ga weer studeren.’ Hij knikte. Dat wist hij toch al, dat moest ik hem niet vertellen. Hij knikte weer. Ik zag geen spijt, geen opluchting op zijn mal gezicht. Niets. Een neutraal knikje alsof ik gezegd had dat het morgen zou regenen. Het regende al dagen. De ober kwam telkens de volgeregende kom uitgieten. Edith Piaf was verdwenen. Spoorloos. Het enige geluid was het klateren van de regen. Hij knikte weer. ‘Je hebt mijn adres, kom eens af in de winter’. Nu was het mijn beurt om te knikken. Hij staarde alweer. Naar zijn zee. Zijn winterzee. ‘Ik ga ook weg. Om dan terug te komen in de winter, naar dat ventje, dat malle, lieve mannetje’, dacht ik en bestelde nog twee koffies.

VI.

Waarom huilde ik niet? Ik herinnerde me dat ik dagen en nachten gehuild had toen Poes Pompidoe gestorven was. Ze lag ook langs de straat. Dood. In een plasje bloed. Zonder loeiende sirenes of zwaailampen. Zonder toestromende mensen. Enkel ik, die haar in een krant rolde, een oude trui in een doos legde en ze daarin plechtig begroef. Aan een idyllische grachtkant, aan de voet van een eik. En ik huilde.

Nu huilde enkel de wind. Ik kon niet huilen. Hield ik van hem? Of nee: hield hij van mij?

‘Op een dag stond ze voor mijn deur’, zei hij en krabde het bijna blonde poezenbeest zachtjes achter de oren. Ze spinde. ‘Ze was zo mager, een echt mormel. En zo te zien was ze het beu om eenzaam te zijn. Net als ik trouwens.’ De kat kwam op me af, fleemde langs mijn been en nestelde zich daarna spinnend aan mijn voeten. ‘Ophelia is het kusje op de wonde van mijn eenzaamheid’, zei hij. ‘Toen het nieuwe er af was, werkte het alleen zijn, het alleen thuiskomen, deprimerend. Ik voelde me verlaten. En toen was zij er plots en ze was vastbesloten om niet meer weg te gaan. We zijn dikke vriendjes geworden.’ Ophelia keek even op om dat te bevestigen. Ze gaapte en rekte zich uitvoerig. Daarna ging ze op de vensterbank zitten om me vandaar onbeschaamd aan te gapen.

Het begon al een beetje te schemeren. Het wit van de schuimkoppen stak fel af tegen het grauwe groen en het sombere blauw. Er is nooit iets geweest tussen ons. Hoogstens een troostend of plagend schouderklopje. En op het eind van mijn lange vakantie een schuchter en vlug kusje op de wang. Onwennig. Maar we moesten toch afscheid nemen? Een handdruk is zo flauw, zo zakelijk. Misschien gaat het goedkope café nu wel failliet of sluiten ze gewoon tot volgend jaar? Ze zouden in ieder geval een nieuwe Piaf kunnen kopen met al die koffies die we er gedronken hadden.

Eindelijk was het winter. Eindelijk kon ik die muffe boeken voor een tijdje in een hoekje smijten en naar zee gaan. De zee. De stilte. Het ging allemaal vlug en daar stond ik al voor de deur van zijn appartementje. De bel weergalmde luid. Wachten. Nog eens bellen. Niets. Niemand thuis. Zelfs geen Ophelia op de vensterbank. Dan maar een kort berichtje onder de deur. Twee dagen doodse stilte en strandwandelingen. Sneeuw op het strand. Gek, vond ik dat. Het café stond te koop. Ik ging weer naar hem. Het berichtje stak nog steeds onder de deur. Vreemd.

De schemering was voorbij. Hier en daar brandde een straatlamp. Ik hield toch wel van hem, bedacht ik toen plots. Ja, maar niet verliefd, neen, ik niet. Ik moest wel van hem gehouden hebben want ik vond het spijtig dat zijn deur nu gesloten was, dat ik hem niet uren zag staren naar de zee, geen vrolijk gewuif, geen geldzorgenrimpel die verdween als hij grinnikte. Of als hij glimlachte? Ik wist het niet meer. Zijn ogen fonkelden als hij grapjes maakte, dat wist ik nog wel. Ik keek naar de verre lichtjes van een vissersboot op zee.

‘Ik heb hem het laatst gezien in Oostende. Met zijn kat en een grote koffer vol boeken heeft hij de trein naar Antwerpen genomen. Hij kon de huur niet meer betalen.’ Verdwenen. Weg. Zonder me te verwittigen. ‘Wat zou je er van denken als...’, hamerde het in mijn hoofd. Hij was weg. Naar Antwerpen. Waarom? Waarom had hij me dat niet geschreven? ‘Wat zou je er van denken als ik plots uit je leven zou verdwijnen?’ Weg. Hij is weg. Het kon niet. Het was winter. Zijn zee was mooier en woester dan ik me ooit had kunnen inbeelden. ‘Kom eens af in de winter’, had hij gezegd. ‘Wat zou je er van denken als...’

Ik besloot nog enkele dagen te blijven. Het was ondanks alles mooi. Geen toeristen. Enkel wind en golven en zand en bijtende kou. En verborgen stilte.




VII.

Net zoals nu. Alleen op het strand. Koud en donker. Maar toen leefde hij nog. Hij was alleen ver weg. Wat gebeurt er nu met Ophelia? In de verte bewogen kleine, witte vlekken. Die krijsende meeuwen. Hij hield van me. Moest wel. De maan was nergens te zien. Het was nu volkomen donker. De witte vlekjes waren niet meer te onderscheiden. Weggevlogen?

‘Mooier dan in de zomer, vind je niet?’. Hij stond plots naast me. ’s Morgens vroeg, op de golfbreker. Van waar was hij gekomen? Ik wist het niet en zou het hem niet vragen. ‘Ik mis ze zo’, zei hij. ‘De zee, de golven, de woestheid. Ik kon er uren naar staren.’ Ik glimlachte. Dat wist ik toch? Dat moest hij me toch niet vertellen? ‘Ophelia is verdwenen’. Het klonk mat en stilletjes. Zijn pleister -of was het kusje?- op de wonde van zijn eenzaamheid was er in één ruk afgetrokken. Maar de pijn bleef langer. ‘Gewoon, op een morgen, weg. Het raampje stond open. Ik heb ze niet meer terug gezien. Al twee maanden lang.’ Hij heeft me nog niet aangekeken, dacht ik. Is hij bang? Wil hij iets verbergen? ‘Het is erg, weet je?’, en keek me plots in de ogen. Kon hij dan toch gedachten lezen? ‘Erg om nu alles achter te moeten laten. Ophelia en de zee. Winterzee. Meer heb ik nooit nodig gehad.’ Hij staarde alweer naar het oneindige. ‘Het café staat te koop’, zei ik. Het moet wel idioot geklonken hebben. Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Gaan we een kijkje nemen?’, zei hij. Ja, knikte ik. De kou was te bijtend.

Het had geen zin om nog langer te blijven turen in die duisternis. Ik struikelde over een losse steen op de golfbreker. Terug richting dijk. Ik keek achterom, naar de zee.

‘Morgen vertrek ik weer’, zuchtte ik. ‘Kijk niet om’, zei hij. ‘Je mag niet omkijken naar datgene wat je achtergelaten hebt. Neen, niet omkijken’, ging hij verder. Hij nam mijn arm en trok me verder. De verleiding was veel te groot, wist ik. En toen keek hij zelf om. ‘Neen, je mag niet omkijken, het is bijna te mooi om achter te laten’.

Het plassend hondje. De bloembak. De droge bons. Waarom liep ik verder? Waarom knielde ik niet huilend neer? ‘Niet omkijken’, daverde het in mijn hoofd en ik ging verder, verder tot aan de zee, de golfbreker.

De ambulance was toen gekomen en de massa mensen. Zou hij niet leuk gevonden hebben. ‘Wat zou je er van denken als...’. Ik liep verder, had hem achtergelaten. Alles. Het goedkope café was gesloopt. ‘Hier komt residentie Ophelia’, stond er in reuzegrote letters. Ophelia. Was zij ook dood? Maar ik mocht er niet aan denken. Ik had het allemaal achter me gelaten. Alles. Nooit omkijken. Ik liep verder, steeds rechtdoor, weg van de winterzee, van Edith Piaf, de kom met pletsende en dansende regendruppels, weg van dat vrolijk zwaaiende en lachende groentemannetje met een geldzorgenrimpel. Neen, niet omkijken. Het is voorbij, het ligt nu achter me. Alles.

‘Salt of the waves

And of tears

And though he, pulled away

I kept him here for years

I let him go.

My name is Calypso

I have let him go

In the dawn he sails away

To be gone forever more

And the waves will take him in again

But he’ll know their ways now

I will stand upon the shore

With a clean heart

And my song in the wind

The sand will sting my feet

And the sky will burn

It’s a lonely time ahead

I do not ask him to return

I let him go

I let him go’

Suzanne Vega, Calypso

maandag 1 februari 2010

Fingerspitzengefühl


Ik hou niet van dieren. Ik heb er niets mee. Wat heb je er aan? Streel een kat en je hangt vol haar. Aai een hond en je hand wordt ondergekwijld. Vissen in een aquarium doen me piekeren over waarom die beesten nooit met hun ogen knipperen. Een hamster of een cavia ontwikkelt standaard een karakterstoornis in dat kleine hokje. Nee, dieren doen me niets.

Jan belde. Of ik kwam eten vanavond. Dat doe ik graag. Jan en zijn vrouw zijn toffe mensen. Het is er gezellig. Zeker nu hun kinderen groot zijn. Ze zitten op kot nu. De ene in Gent, de andere in Leuven. Het enige dat nog aan hen doet denken zijn Bobby en Musti. Maar dat is niet zo erg. Bobby lag voor de kachel zonder te kwijlen. Musti lag spinnend in de zetel. Hij hield zelfs zijn haren bij.

Het was een leuke, rustige avond. Tot Jan zei: ‘We gaan er een weekje tussenuit.’ Mijn maag verkrampte. Bobby en Musti... Jans vrouw legde haar hand op mijn arm. ‘Bobby gaat met ons mee. Maak je maar geen zorgen. Musti gaat naar een kattenpension.’ Ik haalde opgelucht adem. ‘Maar er is wel iets dat we je willen vragen. Kom even kijken!’ zei Jan. Het zal wel een orchidee zijn of zo, die om de twee dagen water nodig heeft, dacht ik. Jan troonde me mee naar de keuken. Hij glunderde. ‘Dit zijn Jippeke en Janneke’, zei hij en hij wees op twee waterschildpadden in een groot aquarium. Ik knikte wezenloos. Hoe haal je het in je hoofd, was het enige dat ik kon bedenken. Maar ik zei het niet. ‘Ze hebben niet veel nodig’, zei hij. ‘Om de twee dagen een beetje eten volstaat.’ Weer knikte ik. ‘Kijk, als je je vinger in het water steekt en ermee beweegt, dan komen ze af. Ze denken dat het een wormpje is.’ Hij lachte. Ik niet. ‘Ze houden wel van wat rauw gehakt. Dat mag je ze geven. En hier staat de rest van het voer.’ Ik voelde me erin geluisd. Dit was niets voor mij. Jan en zijn vrouw kletsten de rest van de avond vrolijk door. Het ging aan mij voorbij. Om 23u ging ik naar huis, met hun huissleutel, aan een sleutelhanger met een hondje.

Maandagavond ging ik voor het eerst. Het viel mee. Potje open. Korrels in het water. Potje toe. Deur toe. Woensdag ging ik nog eens. Er lagen nog wat korrels in het water. Hadden ze niet gegeten? Kan een schildpad treuren? Wat moest ik doen? Potje open. Minder korrels in het water. Potje toe. Deur toe. Vrijdag geraakte ik niet uit mijn bed. In mijn slaap zwommen steeds uitgemergelde schildpadden met ingevallen wangen voorbij. Vandaag was de laatste keer dat ik die beesten moest voederen. Zouden ze nog leven? Zouden ze gegeten hebben? Tijdens mijn middagpauze ging ik er vlug naar toe. Ze leefden nog. Nog steeds korrels in het water. Ze moesten eten. Jan vertrouwde mij. Hoe deed hij dat alweer? Hij stak zijn vinger in het water. Een wormpje. Ik haalde diep adem. Vinger in het water. Mijn wijsvinger wriemelde wat heen en weer. Geen reactie. Deed ik het niet goed? Beetje dieper in het water dan maar. Ja, nu hadden ze het wel gezien. Ik wriemelde maar wat verder. Op dat moment ging de telefoon. Ik schrok en keek naar het toestel in de woonkamer. Op dat moment gebeurde het. Jippeke of Janneke had mijn vinger gevonden en beet er in zo hard hij kon. Ik verschoot me een bult en mijn hand schoot als een katapult uit het water. De schildpad hing er nog aan.

In paniek wapperde ik mijn hand heen en weer. Weg! Dat beest moest weg! Toen loste hij zijn greep en met een smak belandde hij tegen het raam. Plof, op de vensterbank. Een nat spoor op de ruit wees als een pijl naar waar de schildpad lag. Verschrikt keek ik om me heen. De telefoon rinkelde niet meer. Wat nu? Wat had ik gedaan? Stom beest! Voorzichtig stapte ik dichterbij. Er was niets aan te zien. Maar dat vond ik vorige week ook... In de schuif vond ik een spaghettitang. Jippeke of Janneke ging terug het water in. Vlug maakte ik me uit de voeten. Weg van hier!

Zondag belde Jan. ‘Dankjewel’, zei hij, ‘alles is prima in orde. Heb je ze niet teveel eten gegeven? Er dreef nog voer in het water.’ ‘Geen idee’, zei ik. Een cocktail van schuldgevoel en verademing ging door mijn keel. Maandag belde Jan weer. ‘Jippeke is dood’, zei hij stilletjes. ‘We vonden hem deze morgen dood in het aquarium. Gek, hé! Och ja, we kopen er wel een andere. Zeg, heb ik je al verteld dat we een heel leuk hotelletje in het Zwarte Woud ontdekt hebben? Kom je volgende week nog eens eten?’




dinsdag 26 januari 2010

Maaksprakers, deel 2


- De externe invloeden van buitenaf
- De bedrijven zijn gefusilleerd
- I regret to inform you that your e-mail can only be answered in Dutch
- Riemen met de roeien die je hebt
- Voor gevorderde pubers
- Welkom op onze klasruïne!
- Het immiteert me mateloos
- Ik heb de vacature betaald
- Terminale baden
- Alle beestjes helpen
- In huwelijkse staat van ontbinding
- Huishoudelijk geweld
- Een gespierde scheur
- De keukendweil vloeren
- Op de kip getokt
- Hij vette haar echt mest
- Fultimunctioneel
- Oplepschepel
- Instrafructuur
- In allerheil
- Het eukemenisch ziekenhuis
- Wijnalmaniak
- Een copuleus diner
- Een slopje kra
- Jacques Brol
- Een schaap in wolvenvacht

vrijdag 22 januari 2010

Maaksprakers, deel 1


- wegwerpzaamheden
- Mest-Vlaanderen
- perrongeluk
- het ligt in het vooruitschiet
- homotrainer
- veulen-merrie-herrie
- borstelvoeding
- We stonden aan de rand van de afgrond maar we deden een flinke stap vooruit!
- van kwaad tot gekker
- atletiet
- koste wat het kotst
- de knoop doorkakken
- U zij de glorix
- mond-op-mond reclame
- levervorst
- de Bijbal lag op zijn nachtkastje
- Bami Scampi
- een terroristische attractie
- complicatieaflevering
- In Excel is Theo
- een langpugmoot
- wormen en naarden
- wilt u het opeten of hier meenemen?
- knop eens op het drukje
- krik eens op het kluisje

dinsdag 12 januari 2010

Gepluimd

Het was koud in huis. Heel erg koud. De dikke, wollen dekens die voor de deur hingen konden de bijtende wind niet tegenhouden. Enkele ijsbloemen vormden zich op het raam. Mooi om naar te kijken, maar niet nu en zeker niet als je aan deze kant van het raam stond. Het vroor nu al enkele dagen. De sneeuw lag er al van met Kerstmis. Hier, op de rand van het dorp, was weinig te beleven. Er reden nog minder auto’s voorbij en wandelaars lieten zich ook niet meer zien. Dat vond Jos erg jammer. Hij zat altijd in zijn zetel aan het raam. Hij wist om welk uur de groene auto van de buren voorbijkwam. Jos wist ook wanneer de wandelclub in het weekend voorbijkwam. En als er niets voorbijkwam, dan keek hij naar de wolken of naar de vogels.

Jos miste zijn leven van vroeger. Zijn boerderij, zijn dieren, zijn tractor en zijn goed gevulde dagen. De boerderij was verkocht, want Jos werd te oud en hij verdiende te weinig om zijn hoofd boven water te houden. Hij had net genoeg om een klein appartementje te huren. Dat appartement maakte hem gek: teveel muren en teveel leegte. Jos trok er dan maar op uit om te wandelen. Nog geen maand woonde hij er en toen was de lift al kapot. Nog maar één verdieping gedaan en daar wou die voet van Jos niet meer mee. Hij miste een tree en duikelde een hele reeks trappen naar beneden. Heup en arm gebroken...

Nu woont Jos bij zijn dochter, Marie-Josée. Dat was niet leuk. Ze was altijd kwaad. De hele dag door. Ze zag er te oud uit voor haar leeftijd en had nergens plezier in. Jos dacht deze dingen altijd luidop en dan kreeg hij de volle laag. Waarop hij dan maar weer ging zwijgen in zijn zetel bij het raam. Wat was dat nu? Wat bewoog daar nu? Jos stond op. Hij zag het goed. Daar zat een beest. Vlakbij het raam. Met veel moeite stapte hij naar buiten. Marie-Josée vloekte luid: ‘doe die deur toe, het is koud!’

Jos kwam terug binnen met een kip in zijn armen. Een mooie, dikke, bruine kip. Heerlijk was dat, om terug een dier te zien en te voelen, dicht bij hem. Hij praatte stilletjes tegen het beest. Het stelde zowel hem als de kip op hun gemak. Stilletjes, zonder dat Marie-Josée het zag, gingen ze in de zetel zitten. Jos besloot dat hij de kip zou houden. Vriendschap zou hij krijgen. Al was het maar van Miranda, zijn kip.

Marie-Josée dacht daar anders over. ‘Geen kip in huis!’, tierde ze. Maar Jos roerde niet. Miranda bleef waar ze was. Miranda was van hem. Frankie, de man van Marie-Josée probeerde te bemiddelen. Hoewel dat niet veel hielp, gaf het Jos en Miranda toch tijd. Zo lang er niets beslist was, zou Miranda blijven. En dat was voor Jos al meer dan genoeg.

Het was nog steeds koud in huis. De gasrekeningen waren al maanden niet meer betaald. Het kleine mazoutkacheltje dat Frankie in de kringloopwinkel op de kop had getikt, was ook koud. Geen geld voor mazout. Marie-Josée haar humeur ging even snel naar beneden als de temperatuur in huis. Die dag kwam Frankie ’s middags thuis. Boos. De fabriek had heel wat arbeiders ontslagen. De crisis, weet u wel... Jos luisterde stilletjes, met Miranda op zijn arm. Ze kakelde zachtjes, alsof ze het begreep. Het was tijd voor hun wandelingetje. Elke dag ging Jos een paar keer met Miranda naar buiten. Waar hij ging, liep zij hem achterna. Of andersom. Ze waren onafscheidelijk. Tevreden gingen ze terug naar binnen. Genietend van hun aandacht voor elkaar. Laat Marie-Josée maar grommelen op Frankie, dachten ze samenzweerderig toen ze weer gilde: ‘doe die deur dicht, want het is koud!’

Het werd nog kouder in huis. Het weinige eten dat er op tafel kwam, vooral op het bord van Jos, minderde snel. Marie-Josée werd gemeen. Jos kreeg alleen nog kritiek. Zijn kleren werden niet meer gewassen en veel tafelrestjes voor Miranda waren er niet. Jos teerde op zijn vriendschap en vergat de knagende honger. Tot op de dag dat de brief kwam. Marie-Josée had hem geopend, gelezen en dan zwijgend op zijn schoot geworpen. Jos moest Miranda even op de grond zetten om zijn bril te halen. Met bril, brief, deken en Miranda zette hij zich terug bij het raam. Hij begreep niet veel van de brief. Die was van het ziekenhuis en ondertekend met een ingewikkelde kribbel. Frankie legde hem uit dat hij op controle moest. Marie-Josée smeet er achteraan dat zij die rekeningen niet zou betalen. Frankie negeerde haar en zei dat hij wel zou meegaan. Samen naar de stad. En neen, Miranda kon niet mee, die moest thuisblijven.

Jos wou niet gaan. Hij wou wel naar zijn heup laten kijken, want die deed veel pijn. En zijn pillen kreeg hij niet van Marie-Josée, want daar was geen geld voor, zei ze altijd. Maar hij wou Miranda niet achterlaten. Een ganse dag? Dat was veel te lang. Ze kon toch niet alleen in de zetel bij het raam zitten? Ze ging verdriet hebben. Jos ook. Maar Miranda kakelde zachtjes om te zeggen dat het goed was. Jos moest maar naar het ziekenhuis gaan. Ze zou op hem wachten. Tot hij terug was van de stad.

Frankie en Jos vertrokken. Jos zwaaide naar het raam, maar hij kon Miranda niet zien. De buurman zette hen af met zijn groene auto. Het duurde lang in het ziekenhuis en Frankie had het moeilijk om alles juist te doen en de weg te vinden. Als ze dan eindelijk waren waar ze moesten zijn, moesten ze weer wachten. En dan dacht Jos weer aan Miranda. Wat zou ze nu doen? Misschien zou Marie-Josée wel eventjes met haar naar buiten gaan voor een wandelingetje? Frankie trok aan zijn schouder. De dokter riep zijn naam...

Het was al na 17u toen ze eindelijk terug thuis waren. Jos was moe. Frankie zweeg, zoals hij de laatste dagen altijd deed. Hij trok de deur open en hield de wollen deken opzij zodat Jos kon binnenstappen. Het viel hen niet op dat Marie-Josée niet riep dat die deur dicht moest. Jos keek glimlachend rond. Waar zou Miranda zitten? Frankie fronste zijn wenkbrauwen. Wat rook hij? De rook heerlijk! De rook naar warm eten, naar vers voedsel. Dat was lang geleden! Waar had Marie-Josée het geld gehaald om iets lekkers te koken? Jos schuifelde voorbij. ‘Miranda? Kom, kippetje, kom Miranda’, zei hij. Maar Miranda was onvindbaar. Frankie stapte de keuken in. Marie-Josée zag er 10 jaar jonger uit en lachte op een vreemde manier. Frankie keek in de kookpot. ‘Kom, kippetje’, zei Jos. ‘Kom maar, Miranda, ik ben thuis’, zei hij zachtjes. Frankie zijn mond viel open toen hij in de kookpot keek...


woensdag 6 januari 2010

Blog City

Er hing een zware mist boven Blog City. De dikke mist benam niet alleen je adem maar ook je zicht. Enkele leukerds hadden de letters op de borden van de stad gewijzigd in Smog City. Op straat zag je geen hand voor ogen. Niet dat dat zo erg was, want je kwam er niemand tegen. Elke inwoner van Blog City zat binnen. Iedereen schreef. Elke schrijver wou iets bijdragen aan zijn blog. Elke schrijver dacht dat zijn of haar schrijfsels het interessantst waren om te lezen. Sommigen schreven zelfs met behulp van pen en papier.

Met elk woord dat geschreven werd, ontsnapte er een minuscuul en bijna onzichtbaar wolkje. Al die wolkjes pakten bijeen en vormden de zware, dikke smog boven de stad. Je kan je wel indenken wat voor soort vervuiling een woord als ‘ultravioletstralingsabsorptiefilter’ gaf!

Het moest zo snel mogelijk stoppen. Je kon het verschil niet meer zien tussen dag en nacht. De smog werkte verstikkend. Iedereen schreef erover en de wolk groeide en groeide. Maatregelen waren dringend nodig. De eerste maatregel die getroffen werd was een algemeen schrijfverbod tussen 20u00 en 23u59. Het verschil was echter totaal niet merkbaar en maatregel twee drong zich dus al snel op.

Maatregel twee: wie een, door een arts erkend, writersblock had, kreeg een aantrekkelijke aanmoedigingspremie om die zo lang mogelijk te behouden.

Maatregel drie: iedereen wordt opgedragen om trager schrijven.

Maatregel vier: blokschrijven, naar analogie met blokrijden.

Maatregel vijf: enkel holle, lege en vooral nietszeggende woorden schrijven.

Maatregel zes: algemeen schrijfverbod voor alle inwoners van Blog City.

Maar, zoals het een echte smogwolk betaamt, hielp geen enkele van die genomen maatregelen. De smog was er en de smog was van plan te blijven.

Tot op een dag....

(tja, het spijt me, bij mij is maatregel twee van toepassing...)