dinsdag 12 januari 2010

Gepluimd

Het was koud in huis. Heel erg koud. De dikke, wollen dekens die voor de deur hingen konden de bijtende wind niet tegenhouden. Enkele ijsbloemen vormden zich op het raam. Mooi om naar te kijken, maar niet nu en zeker niet als je aan deze kant van het raam stond. Het vroor nu al enkele dagen. De sneeuw lag er al van met Kerstmis. Hier, op de rand van het dorp, was weinig te beleven. Er reden nog minder auto’s voorbij en wandelaars lieten zich ook niet meer zien. Dat vond Jos erg jammer. Hij zat altijd in zijn zetel aan het raam. Hij wist om welk uur de groene auto van de buren voorbijkwam. Jos wist ook wanneer de wandelclub in het weekend voorbijkwam. En als er niets voorbijkwam, dan keek hij naar de wolken of naar de vogels.

Jos miste zijn leven van vroeger. Zijn boerderij, zijn dieren, zijn tractor en zijn goed gevulde dagen. De boerderij was verkocht, want Jos werd te oud en hij verdiende te weinig om zijn hoofd boven water te houden. Hij had net genoeg om een klein appartementje te huren. Dat appartement maakte hem gek: teveel muren en teveel leegte. Jos trok er dan maar op uit om te wandelen. Nog geen maand woonde hij er en toen was de lift al kapot. Nog maar één verdieping gedaan en daar wou die voet van Jos niet meer mee. Hij miste een tree en duikelde een hele reeks trappen naar beneden. Heup en arm gebroken...

Nu woont Jos bij zijn dochter, Marie-Josée. Dat was niet leuk. Ze was altijd kwaad. De hele dag door. Ze zag er te oud uit voor haar leeftijd en had nergens plezier in. Jos dacht deze dingen altijd luidop en dan kreeg hij de volle laag. Waarop hij dan maar weer ging zwijgen in zijn zetel bij het raam. Wat was dat nu? Wat bewoog daar nu? Jos stond op. Hij zag het goed. Daar zat een beest. Vlakbij het raam. Met veel moeite stapte hij naar buiten. Marie-Josée vloekte luid: ‘doe die deur toe, het is koud!’

Jos kwam terug binnen met een kip in zijn armen. Een mooie, dikke, bruine kip. Heerlijk was dat, om terug een dier te zien en te voelen, dicht bij hem. Hij praatte stilletjes tegen het beest. Het stelde zowel hem als de kip op hun gemak. Stilletjes, zonder dat Marie-Josée het zag, gingen ze in de zetel zitten. Jos besloot dat hij de kip zou houden. Vriendschap zou hij krijgen. Al was het maar van Miranda, zijn kip.

Marie-Josée dacht daar anders over. ‘Geen kip in huis!’, tierde ze. Maar Jos roerde niet. Miranda bleef waar ze was. Miranda was van hem. Frankie, de man van Marie-Josée probeerde te bemiddelen. Hoewel dat niet veel hielp, gaf het Jos en Miranda toch tijd. Zo lang er niets beslist was, zou Miranda blijven. En dat was voor Jos al meer dan genoeg.

Het was nog steeds koud in huis. De gasrekeningen waren al maanden niet meer betaald. Het kleine mazoutkacheltje dat Frankie in de kringloopwinkel op de kop had getikt, was ook koud. Geen geld voor mazout. Marie-Josée haar humeur ging even snel naar beneden als de temperatuur in huis. Die dag kwam Frankie ’s middags thuis. Boos. De fabriek had heel wat arbeiders ontslagen. De crisis, weet u wel... Jos luisterde stilletjes, met Miranda op zijn arm. Ze kakelde zachtjes, alsof ze het begreep. Het was tijd voor hun wandelingetje. Elke dag ging Jos een paar keer met Miranda naar buiten. Waar hij ging, liep zij hem achterna. Of andersom. Ze waren onafscheidelijk. Tevreden gingen ze terug naar binnen. Genietend van hun aandacht voor elkaar. Laat Marie-Josée maar grommelen op Frankie, dachten ze samenzweerderig toen ze weer gilde: ‘doe die deur dicht, want het is koud!’

Het werd nog kouder in huis. Het weinige eten dat er op tafel kwam, vooral op het bord van Jos, minderde snel. Marie-Josée werd gemeen. Jos kreeg alleen nog kritiek. Zijn kleren werden niet meer gewassen en veel tafelrestjes voor Miranda waren er niet. Jos teerde op zijn vriendschap en vergat de knagende honger. Tot op de dag dat de brief kwam. Marie-Josée had hem geopend, gelezen en dan zwijgend op zijn schoot geworpen. Jos moest Miranda even op de grond zetten om zijn bril te halen. Met bril, brief, deken en Miranda zette hij zich terug bij het raam. Hij begreep niet veel van de brief. Die was van het ziekenhuis en ondertekend met een ingewikkelde kribbel. Frankie legde hem uit dat hij op controle moest. Marie-Josée smeet er achteraan dat zij die rekeningen niet zou betalen. Frankie negeerde haar en zei dat hij wel zou meegaan. Samen naar de stad. En neen, Miranda kon niet mee, die moest thuisblijven.

Jos wou niet gaan. Hij wou wel naar zijn heup laten kijken, want die deed veel pijn. En zijn pillen kreeg hij niet van Marie-Josée, want daar was geen geld voor, zei ze altijd. Maar hij wou Miranda niet achterlaten. Een ganse dag? Dat was veel te lang. Ze kon toch niet alleen in de zetel bij het raam zitten? Ze ging verdriet hebben. Jos ook. Maar Miranda kakelde zachtjes om te zeggen dat het goed was. Jos moest maar naar het ziekenhuis gaan. Ze zou op hem wachten. Tot hij terug was van de stad.

Frankie en Jos vertrokken. Jos zwaaide naar het raam, maar hij kon Miranda niet zien. De buurman zette hen af met zijn groene auto. Het duurde lang in het ziekenhuis en Frankie had het moeilijk om alles juist te doen en de weg te vinden. Als ze dan eindelijk waren waar ze moesten zijn, moesten ze weer wachten. En dan dacht Jos weer aan Miranda. Wat zou ze nu doen? Misschien zou Marie-Josée wel eventjes met haar naar buiten gaan voor een wandelingetje? Frankie trok aan zijn schouder. De dokter riep zijn naam...

Het was al na 17u toen ze eindelijk terug thuis waren. Jos was moe. Frankie zweeg, zoals hij de laatste dagen altijd deed. Hij trok de deur open en hield de wollen deken opzij zodat Jos kon binnenstappen. Het viel hen niet op dat Marie-Josée niet riep dat die deur dicht moest. Jos keek glimlachend rond. Waar zou Miranda zitten? Frankie fronste zijn wenkbrauwen. Wat rook hij? De rook heerlijk! De rook naar warm eten, naar vers voedsel. Dat was lang geleden! Waar had Marie-Josée het geld gehaald om iets lekkers te koken? Jos schuifelde voorbij. ‘Miranda? Kom, kippetje, kom Miranda’, zei hij. Maar Miranda was onvindbaar. Frankie stapte de keuken in. Marie-Josée zag er 10 jaar jonger uit en lachte op een vreemde manier. Frankie keek in de kookpot. ‘Kom, kippetje’, zei Jos. ‘Kom maar, Miranda, ik ben thuis’, zei hij zachtjes. Frankie zijn mond viel open toen hij in de kookpot keek...


woensdag 6 januari 2010

Blog City

Er hing een zware mist boven Blog City. De dikke mist benam niet alleen je adem maar ook je zicht. Enkele leukerds hadden de letters op de borden van de stad gewijzigd in Smog City. Op straat zag je geen hand voor ogen. Niet dat dat zo erg was, want je kwam er niemand tegen. Elke inwoner van Blog City zat binnen. Iedereen schreef. Elke schrijver wou iets bijdragen aan zijn blog. Elke schrijver dacht dat zijn of haar schrijfsels het interessantst waren om te lezen. Sommigen schreven zelfs met behulp van pen en papier.

Met elk woord dat geschreven werd, ontsnapte er een minuscuul en bijna onzichtbaar wolkje. Al die wolkjes pakten bijeen en vormden de zware, dikke smog boven de stad. Je kan je wel indenken wat voor soort vervuiling een woord als ‘ultravioletstralingsabsorptiefilter’ gaf!

Het moest zo snel mogelijk stoppen. Je kon het verschil niet meer zien tussen dag en nacht. De smog werkte verstikkend. Iedereen schreef erover en de wolk groeide en groeide. Maatregelen waren dringend nodig. De eerste maatregel die getroffen werd was een algemeen schrijfverbod tussen 20u00 en 23u59. Het verschil was echter totaal niet merkbaar en maatregel twee drong zich dus al snel op.

Maatregel twee: wie een, door een arts erkend, writersblock had, kreeg een aantrekkelijke aanmoedigingspremie om die zo lang mogelijk te behouden.

Maatregel drie: iedereen wordt opgedragen om trager schrijven.

Maatregel vier: blokschrijven, naar analogie met blokrijden.

Maatregel vijf: enkel holle, lege en vooral nietszeggende woorden schrijven.

Maatregel zes: algemeen schrijfverbod voor alle inwoners van Blog City.

Maar, zoals het een echte smogwolk betaamt, hielp geen enkele van die genomen maatregelen. De smog was er en de smog was van plan te blijven.

Tot op een dag....

(tja, het spijt me, bij mij is maatregel twee van toepassing...)

maandag 28 december 2009

Waarom sommige koeien vlekken hebben...

Het valt niemand op, maar als je goed kijkt zal je zien dat de vlekken van koeien in de wei regelmatig veranderen. En als je vanaf het begin heel goed hebt opgelet, dan zal je gezien hebben dat alle koeien op de eerste dag in hun wei helemaal wit waren. Maar dat heb je vast niet gezien want je was te gehaast om op tijd op je werk te geraken, of gewoon omdat je niet naar koeien kijkt. 

Koeien lijken dan wel vaak wezenloos te kijken naar het grote Niets, maar dat is slechts bedrog. Als ze niet filosoferen over Nietzche of de Big Bang theorie, dan zitten ze ingewikkelde plannetjes te bedenken die vooral met tactiek te maken hebben. Kijk de volgende keer maar eens goed. Koeien met de minste vlekken, die denken het diepst en zijn het slimst. 

Overdag kruipen ze in de rol van slome herkauwers die zelfs niet nadenken over het waarom dat hun staart rondzwiept en welk effect dat heeft op de hen omringende vliegen. Schijn bedriegt! En nog niet een beetje. Tegen valavond verzamelen ze. Niet allemaal bij elkaar, oh neen! Elke zichzelf respecterende wei verdeelt zichzelf in twee kampen. Die twee kampen hebben een eeuwenlange, ingewikkelde hiërarchie, die onveranderbaar is. Bij de koeien dus geen kneusje dat tot het laatste overblijft als er moet gekozen worden... 

Zoals je misschien wel al gezien hebt, verzamelen koeien zich vaak op plaatsen waar ze ook rijkelijk hun koeienvlaaien gedeponeerd hebben. Vies, denk je, maar ook dat heeft een reden. Wat dacht je, dat een koe die overdag over Nietzche filosofeert, ’s avonds zomaar zonder reden met haar poten in haar eigen vlaai gaat staan? Tssss, hoog tijd dat je wat beter observeert! 

Als de rust valt voor de koeien en de mensen druk bezig zijn met afwassen, opruimen, wenkbrauwfronsend toetsen van de kinderen ondertekenen, de rolluiken dicht doen en de nacht buitensluiten, komen de koeien in actie. Ze zijn meedogenloos. Hun strijd is er één om te winnen. De kampen staan lijnrecht tegenover elkaar en het koeienvlaaigevecht kan beginnen. Welgeteld één minuut duurt het. Eén minuut om elkaar zoveel mogelijk te raken. Het kamp met het meeste vlekken verliest. De nestor onder de bende houdt de wacht, want het is een welbewaard geheim. 

Als je morgen naar je werk gaat en een wei met koeien passeert, kijk dan eens goed. Onder die lange wimpers kan je veel meer lezen dan sloomheid alleen. Maar, denk eraan: dit geheim blijft onder ons en onder de koeien!


vrijdag 18 december 2009

Niet mis...

Vandaag hebben jullie je laatste toets. Het is bijna vakantie! We zullen onze moeilijke woordjes nog even oefenen en dan maken jullie na de speeltijd zeker een goed dictee.

Neem maar je werkschrift en een potlood. Michaël, jij mag aan het bord komen en daar oefenen.

Luister goed en schrijf wat je hoort. Hier gaan we! Schrijf het woordje ‘kerstmis’...

Dat gaat goed, Michaël! Doe maar rustig voort.

Lukt het bij iedereen? Ik herhaal nog even: ‘kerstmis’.


Zeg, Ann, kijk eens! Je hebt 2 x een ‘e’ geschreven. Je hoort toch een korte ‘e’...

Bij jou is het goed, Michaël. Niet twijfelen, hoor!

Kijk, kindjes. Het begint te sneeuwen!
Ok, we zijn er bijna. We schrijven het woordje ‘kerstmis’.



Ik zeg het nog één keer: k-e-r-s-t-m-i-s... Lukt het, Michaël?



Luister goed naar wat ik zeg, hoor Michaël: Kerst – MIS !

En Michaël nam de bordenwisser, liet zijn schouders zakken en veegde het bord schoon. Het was wéér mis!

(Fijne Kerstdagen! )

zondag 13 december 2009

Leut


Ze hebben me hier weer ergens gezet. Weer naast dienen ene die altijd zit te mompelen. Ik kan hem niet uitstaan. En ik kan niet weg. Smerig is dat. Het uitzicht stelt ook niet veel voor. Ik kijk wel uit op een raam, maar dat kijkt uit op een muur. Triestig is het!

Daar is die man weer. Hij komt elke week onzin vertellen. Soms heeft hij een vrouw en een kind mee. Soms is hij alleen. Als hij er is, dan moet ik blij zijn, zeggen de verpleegsters. Maar ik weet niet waarom ik blij moet zijn. Ik ken hem niet. Ik ken die vrouw niet. Ik ken dat kind niet. Moet ik dan blij zijn omdat die zoveel onzin vertelt? Of omdat hij vertelt over iemand die ik niet ken? Het is een dikke zagevent. En waarom komt die elke zondag? Wordt hij daarvoor betaald? Dat hij maar vlug weggaat, die man. Ik heb hem niks te vertellen. Als hij weggaat, zegt hij tegen de verpleegster: hij gaat precies snel achteruit. Maar ik kan niet achteruit. Ik blijf waar ik ben of ik blijf waar ze me neergezet hebben. Kon ik maar achteruit. Een ander uitzicht en iemand anders naast mij in plaats van die mompelende gek in zijn rolstoel.

Zou het koud zijn buiten? Is het juni of december? Ze komen ons weer weghalen. Wie heeft er zin in een tasje koffie? Slappe koffie, is het. Daar heb je geen zin in. Als je dat in een glas giet, kan je er doorkijken. Maar het is beter dan niks. Weer vijf minuten om. Die naast mij gieten ze zijn koffie binnen en doen ze een slab aan. Triestig is het!

Vandaag was hij er weer. Zonder die vrouw of dat kind. Hij geeft me een kus. ‘Dag, papa’ zegt hij dan. En dan vraagt hij altijd hoe het met me gaat. Dan mompel ik ook maar wat. Dat doen ze hier allemaal. Dat hoort zo, denk ik. 'Je zegt zo weinig', zegt die man. 'Ben je hier niet graag?' Plezant is anders: den ene hoort niet goed, den andere ziet niet goed, er is altijd file in de gang door al die looprekjes. Ben ik hier graag? Ben ik ooit ergens anders geweest?

Ik moet altijd mee gaan knutselen. Dan plak ik mijn vingers vol en dan zuchten die vrouwen altijd. Ze kuisen dat dan af, maar dat doet pijn. En den helft plakt er dan nog aan. Wat vroeg hij nu weer? Ha ja, of ik hier graag ben... Na de middag planten ze me in mijn kamer. Het raam zit daar te hoog. Ik kan de lucht zien. Soms is die blauw, soms is die grijs. Ik kan niet zien of de lucht warm of koud is. Dan zetten ze de tv aan. ‘Hier, uw feuilleton’, hoor ik dan. Maar dat is niet van mij. Ik weet niet waar dat over gaat. Dan val ik maar in slaap.

Ik word wakker geschud. Het is die lieve, ik heb die graag. Ik denk dat die me graag ziet. Ze zegt dat ze hier werkt, maar wat zou ze dan doen? Ze maakt mij altijd wakker. En dan is ze lief. Ze brengt mij weer naar de zaal. Sommigen kaarten daar en dan maken ze ruzie. Zo lijkt het toch. Ik doe nooit mee. De spelregels zijn elke dag anders. Ik kan mijn kaarten niet meer vasthouden. Het is echt een lieve, want ze zet mij op een schoon plaatske. Niet naast dienen ene die kwijlt en mompelt. We krijgen wafels. Daar ligt iets onder dat bloemstukje. Een bril.

“Hee, Maurice! Ik heb uwe bril gevonden.” Maurice kijkt niet. Ik zeg het nog eens. “Ik ben niet Maurice, ik ben Roger”, zegt ‘m. “Ah, Roger, dat wist ik niet. Zijt ge van naam veranderd? Ik wil dat ook, want ge kiest uwe naam niet, he. Allez, ik wel, elke dag opnieuw. ’s Avonds kies ik een naam maar die weet ik ’s morgens niet meer. Maar dat is niet zo erg, he, want ze roepen mij toch nooit. Of misschien wel, maar dan weet ik het niet. Vindt gij die koffie ook zo slecht? Hebt gij ook naar den tv gekeken? Ik val altijd in slaap. Maar die wafels zijn wel lekker, he? “Zeg, wilt gij mijne bril dan eens geven?” “Uwe bril? Maar allez, Maurice, hoe kan ik dat nu weten waar uwe bril is?”

vrijdag 4 december 2009

Mispakt

6u59. Ik moet de wekker afzetten voor die verspringt. Vlug! Anders is het te laat!

Aankleden: eerst mijn linkervoet in mijn schoen, anders loopt het mis. De trap naar beneden: opletten want op de derde trap mag ik niet komen. Anders loopt het mis.

Naar de keuken om te ontbijten: eerst een boterham met choco en pas dan eentje met confituur. Anders loopt het mis.

Naar school: ik moet elke elektriciteitspaal aanraken. Anders loopt het mis. Nog eventjes en ik ben op de hoek. 50 stappen moet ik daarvoor doen, anders loopt het mis.

Oversteken: alleen op de witte strepen van het zebrapad. Anders loopt het mis! Wat duurt het lang voor het licht op groen springt... Ik tel tot 10 en dan verspringt het. Anders loopt het mis.

Het monster zit overal. Jij kan het niet zien, maar het is er. Het volgt me overal, ziet me altijd en beloert me. Ik moet alles heel precies doen, anders loopt het mis. Het monster maakt me bang.

Groen! Ik huppel van de ene witte streep naar de andere. Ik ben er bijna. Vijf blauwe auto’s moet ik zien voor ik de school binnenga. Anders loopt het mis. Nog 2. Ik loop wat langzamer. Dat was bijna! Ik mag niet op de randjes van de tegels trappen. Anders loopt het mis.

De vijfde blauwe auto rijdt net voorbij. Oef! Ik sta nog net op tijd in de rij. Mijn jas moet aan het derde haakje links. Anders loopt het mis. Zal ik mijn rekentest goed doen? Ik moet even uit het raam kijken. Als er een vogel voorbij vliegt, dan zal ik het goed doen. Anders loopt het mis.

Naar huis. Vijf blauwe auto’s, anders loopt het mis.

Niet op de tegelrandjes, anders loopt het mis.

Op de witte zebrastrepen, anders loopt het mis.

50 stappen, anders loopt het mis.

Alle elektriciteitspalen, anders loopt het mis.

Wat nu? De weg is opgebroken. Ze zijn aan het werken aan elektriciteitspaal 13... 66 stappen tot aan de voordeur. Ik ben in de war. Schoenen uit. Waarom doe ik nu eerst die rechtse uit? In paniek naar mijn kamer. Nee! Die derde trap vergeten... Ik doe de deur van mijn kamer open. Ik voel het. Ik verstijf van angst. Ik voel zijn warme adem in mijn nek...